Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5825

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
07-1323 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering, omdat onvoldoende inlichtingen zijn verstrekt om recht op uitkering vast te kunnen stellen. Leningen en giften van familie zijn niet verifieerbaar en controleerbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1323 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 februari 2007, 06/1662

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo

(hierna: College)

Datum uitspraak: 30 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar dochter, [naam dochter], en mr. S.H.J. van der Linden, kantoorgenoot van

mr. Lina. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F.M. Brouns, werkzaam bij de gemeente Venlo.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving laatstelijk tot 1 juli 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Deze bijstand werd beëindigd in verband met een te lang verblijf in het buitenland en daarna niet tijdig inleveren van het rechtmatigheidsformulier over de maand juli 2003.

Op 17 september 2003 diende appellante een nieuwe aanvraag om bijstand in die door het College buiten behandeling werd gesteld. Op 31 maart 2004 diende appellante wederom een aanvraag in die door het College werd afgewezen op grond van het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar toenmalige echtgenoot. Op 21 oktober 2004 werd opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend die door het College andermaal buiten behandeling werd gesteld.

Op 22 december 2005 volgde de thans in geding zijnde aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In het kader van deze aanvraag verzocht het College bij brief van 24 februari 2006 appellante, onder meer, om aan de hand van verifieerbare bewijsstukken aan te geven op welke wijze zij in de periode vanaf augustus 2003 in haar levensonderhoud had voorzien.

Bij besluit van 21 april 2006 wees het College de aanvraag van 22 december 2005 af omdat appellante onvoldoende inlichtingen had verstrekt om het recht op uitkering vast te kunnen stellen.

Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

21 april 2006 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

22 augustus 2006 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. In verband hiermee is het voor de beoordeling van het recht op bijstand als regel noodzakelijk om inzicht te verkrijgen in de financiële situatie in de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode. Aangezien appellante voorafgaande aan de thans in geding zijnde bijstandsaanvraag vanaf juli 2003 geen recht op bijstand had, was het antwoord op de vraag waarvan zij in de periode tot de aanvraag van 22 december 2005 heeft geleefd van belang voor de beoordeling of zij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde.

Appellante had bij haar bijstandsaanvraag aangegeven ongeveer € 10.000,-- te hebben geleend van familie in Turkije. Zij heeft bewijsstukken overgelegd van een drietal geldtransacties uit Turkije, zijnde € 850,-- van 20 juli 2004, € 550,-- van 25 januari 2005 en € 300,-- van 3 maart 2005, en van diverse schulden betrekking hebbende op met name de jaren 2005 en 2006. Appellante had een tweetal huurschulden contant voldaan namelijk op 15 augustus 2005 van € 875,38 en op 18 januari 2006 van € 1868,48. Ter onderbouwing van haar stellingname dat zij heeft geleefd van leningen van familieleden en vrienden heeft appellante op 20 oktober 2006 (in beroep) diverse verklaringen overgelegd.

De Raad is op grond van de door appellante verstrekte gegevens van oordeel dat zij onvoldoende inzicht heeft verschaft over de wijze waarop zij in de kosten van haar bestaan heeft kunnen voorzien. Zo is op grond van de verstrekte gegevens niet duidelijk hoe appellante haar huur heeft kunnen voldoen. Ter zitting van de Raad is namens appellante gesteld dat zij voor haar kosten van levensonderhoud ook geld heeft gekregen van familie en vrienden zonder dat daarvoor officiële financiële verklaringen zijn opgesteld. Als voorbeelden hiervan werden genoemd: geld afkomstig van oppaswerk van een van de kinderen van appellante, geld van de vader van de kinderen van appellante die weleens bijsprong en geld van leningen van [W.B.]. De diverse geldstromen van derden waarvan appellante zou hebben geleefd, zijn, nu deze niet verifieerbaar en controleerbaar zijn, naar het oordeel van de Raad in onvoldoende mate door appellante inzichtelijk gemaakt.

Op grond van het vorenstaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB in het kader van haar aanvraag om bijstand in onvoldoende mate is nagekomen. Als gevolg hiervan kon niet worden vastgesteld of appellante ten tijde als hier van belang verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11 van de WWB. De Raad stelt zich voorts achter hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft opgemerkt dat bij een nieuwe aanvraag alsdan door het College dient te worden overwogen of, en zo ja hoe lang, appellante nog moet voldoen aan haar informatieverplichting inzake de wijze waarop zij vanaf augustus 2003 heeft voorzien in haar levensonderhoud mede gezien haar bijstandbehoevende omstandigheden zoals deze ter zitting van de rechtbank op

19 januari 2007 onbetwist zijn gebleken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van Ham als voorzitter en K. Zeilemaker en

E.J.M. Heijs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2008.

(get.) A.B.J. van Ham.

(get.) P.E. Broekman.

AR