Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5741

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
06-6580 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen tegemoetkoming in de kosten van bovenregionaal vervoer. Geen uitzonderingssituatie. Geen sprake van een dreigend sociaal isolement. Geen onderbouwing met medische stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6580 WVG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 11 oktober 2006, 06/437, 06/585, 06/586 en 06/587 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Beesel (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M.P. Gerrits, advocaat te Tegelen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2008. Voor appellante is verschenen mr. E.J.G. Hebben, kantoorgenoot van mr. Gerrits. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.E.M.C. Muris, werkzaam bij de gemeente Beesel.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. In verband met medische klachten is appellante in 1996 vanuit de gemeente Noordwijk verhuisd naar de gemeente Simpelveld in Zuid-Limburg. Omdat appellante als gevolg van ziekte beperkingen in onder meer haar mobiliteit ondervindt heeft de gemeente Simpelveld haar in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel en een vergoeding in de kosten van het gebruik van een taxi of eigen auto ten bedrage van € 503,69 per jaar toegekend.

1.2. Op 10 juni 2005 is appellante verhuisd naar Reuver (gemeente Beesel) in Noord-Limburg omdat, zo heeft appellante verklaard, zij beperkingen in haar mobiliteit in haar woonomgeving ondervond als gevolg van het heuvelachtige terrein in de gemeente Simpelveld.

1.3. Op 13 juni 2005 heeft appellante in het kader van de Wvg bij het College een aanvraag ingediend voor onder meer een individuele vervoersvoorziening. Voorts heeft zij verzocht om een reiskostenvergoeding voor bovenregionaal vervoer.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft Centrum Indicatiestelling Zorg op 11 augustus 2005 een medisch advies aan het College uitgebracht. In dit advies, dat tot stand is gekomen na een huisbezoek, na raadpleging van door appellante overgelegde medische verklaringen en na intern overleg met een medische adviseur, is geconcludeerd dat appellante in aanmerking komt voor een vervoerskostenvergoeding. Voor een vergoeding ten behoeve van bovenregionaal vervoer is appellante niet geïndiceerd. Zij kan hiervoor gebruik maken van Valys.

1.4. Bij besluit van 21 september 2005 heeft het College aan appellante over de periode van 1 juni 2005 tot en met 31 oktober 2005 een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten binnen de regio toegekend ten bedrage van € 1.104,15 op declaratiebasis. Bij besluit van 23 november 2005 is appellante meegedeeld dat de vervoerskostenvergoeding vanaf 1 november 2005 ongewijzigd is voortgezet en is haar een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten binnen de regio toegekend ten bedrage van € 2.650,-- per jaar op declaratiebasis.

1.5. Appellante heeft tegen het besluit van 21 september 2005 bezwaar gemaakt voor zover daarbij aan haar geen tegemoetkoming in de kosten van bovenregionaal vervoer is toegekend. Appellante heeft onder meer aangevoerd dat haar kinderen en familieleden in Middelburg, Terneuzen, Lisse, Noordwijk, Tilburg, Eindhoven en Drenthe wonen. Haar jongste kind is ernstig ziek en kan geen auto rijden. Haar andere kinderen hebben drukke werkzaamheden waardoor zij geen tijd hebben om bij appellante op bezoek te gaan. Appellante heeft op advies van haar artsen besloten te verhuizen naar een minder heuvelachtige omgeving. In Reuver kwam volgens haar als eerste een woning vrij.

1.6. Bij besluit van 23 januari 2005 (lees: 2006) heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 september 2005 ongegrond verklaard. Het College heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat appellante met de haar toegekende vervoersvoorziening in voldoende mate kan deelnemen aan het leven van alledag binnen de directe woonomgeving. De toegekende vervoersvoorziening is toereikend om binnen de gemeente Beesel nieuwe sociale contacten op te bouwen. Appellante heeft onvoldoende aangetoond dat haar kinderen en haar broers en zussen niet in staat zijn om haar te bezoeken. Van een (dreigend) sociaal isolement is niet gebleken. Hier heeft het College aan toegevoegd dat appellante er zelf voor heeft gekozen om op grote afstand van haar familieleden en haar vrienden te gaan wonen.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 januari 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het gemeentebestuur zorgdraagt voor de verlening van - onder meer - vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van de Wvg dienen deze voorzieningen verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht te zijn. In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat het gemeentebestuur met inachtneming van hetgeen bij of krachtens de Wvg is bepaald bij verordening regels dient vast te stellen.

4.2. Ter uitvoering van artikel 2, eerste lid, van de Wvg heeft de gemeenteraad van de gemeente Beesel de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Beesel 2004 (hierna: Verordening) vastgesteld.

4.3. Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder c, sub 3, van de Verordening kan de door het College te verstrekken vervoersvoorziening bestaan uit een financiële tegemoetkoming of een vergoeding in de kosten van gebruik van een taxi of een eigen auto.

4.4. Artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat een gehandicapte voor een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3.1 van de Verordening in aanmerking kan worden gebracht, wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van het openbaar vervoer, of het bereiken van dit openbaar vervoer onmogelijk maken.

4.5. Artikel 3.2, achtste lid, van de Verordening bepaalt dat bij de te verstrekken vervoersvoorziening ten aanzien van de vervoersbehoefte uitsluitend rekening wordt gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de gehandicapte bezocht kan worden, terwijl het bezoek noodzakelijk is voor de gehandicapte om dreigende vereenzaming te voorkomen. Blijkens de toelichting bij deze bepaling is het achtste lid een weergave van de jurisprudentie van de Raad met betrekking tot de reikwijdte van vervoersvoorzieningen.

4.6. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat in het onderhavige geval sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 3.2, achtste lid, van de Verordening. Appellante heeft niet met objectieve (medische) stukken aangetoond dat haar kinderen en haar familieleden niet in staat zijn om appellante te bezoeken. Niet gebleken is dat sprake is van bovenregionale contacten die uitsluitend door appellante bezocht kunnen worden en dat bij appellante zonder die bezoeken sprake is van een dreigend sociaal isolement. De Raad is voorts niet gebleken dat het voor appellante niet mogelijk is om met behulp van Valys haar bovenregionale contacten te bezoeken. Appellante heeft haar grief dat zij niet in staat is om met de trein te reizen niet met medische stukken onderbouwd.

4.7. Uit het onder 4.6. overwogene vloeit voort dat het College bij de toekenning van de vervoerskostenvergoeding terecht uitsluitend rekening heeft gehouden met de verplaatsingen binnen de directe woon- en leefomgeving van appellante. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

4.8. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Sharma als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2008.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) S.R. Sharma.

IJ