Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5736

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
06-3643 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werknemersfraude. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3643 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 mei 2006, 05/6484 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. de Bluts, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Bij schrijven van 26 juli 2006, met bijlagen, zijn namens appellante de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2008, waar appellante en haar gemachtigde niet zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

II. OVERWEGINGEN

Het Uwv heeft appellante met ingang van 25 februari 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van dezelfde datum is appellante tevens een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) toegekend, gebaseerd op de status van alleenstaande ouder. Appellante heeft een dochter [H.], die [in] 1995 geboren is en door [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) is erkend.

Op grond van een in 2003 en 2004 door de afdeling Fraude Preventie en Opsporing (FPO) van het Uwv en de afdeling Sociale Recherche van de Gemeente Zoetermeer verricht onderzoek, waarvan de conclusies zijn neergelegd in een rapport werknemersfraude van 18 januari 2005, heeft het Uwv aangenomen dat appellante in ieder geval vanaf 1 januari 2003 op haar woonadres aan [het adres] te Zoetermeer heeft samengewoond met [betrokkene]. Het Uwv heeft verder vastgesteld dat het totale gezinsinkomen meer bedroeg dan het wettelijk minimumloon en dat appellante het Uwv niet onverwijld uit eigen beweging van deze feiten op de hoogte heeft gebracht. Appellante voldeed naar het oordeel van het Uwv vanaf 1 januari 2003 niet meer aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een toeslag.

Het Uwv heeft de toeslag van appellante daarop met ingang van 1 januari 2003 ingetrokken bij besluit van 1 maart 2005, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 16 augustus 2005 (hierna: het bestreden besluit).

De onverschuldigd betaalde toeslag over de periode van 1 januari 2003 tot 1 maart 2005 is door het Uwv bij besluit van 17 maart 2005 teruggevorderd. Hiertegen is door appellante geen bezwaar gemaakt.

De rechtbank heeft het namens appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante is in hoger beroep - kort gezegd - betwist dat sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Toeslagenwet omdat [betrokkene] niet zijn hoofdverblijf had aan [het adres]. Appellante heeft in dit verband nog gesteld dat uit het door het Uwv en de gemeente Zoetermeer verrichte onderzoek in ieder geval niet volgde dat appellante reeds vanaf 1 januari 2003 met [betrokkene] samenwoonde. Het fraudeonderzoek is, zo stelt appellante, eerst op 13 september 2004 gestart en berust op een beperkte onderzoeksperiode. Appellante heeft tot slot gesteld dat nu de politierechter ter zitting op 22 juni 2006 van oordeel was dat een aantal observaties en de daaraan verbonden conclusies buiten een strafrechtelijk onderzoek dienden te blijven omdat deze onrechtmatig waren verricht en verkregen, deze observaties en conclusies in de aanhangige bestuursrechtelijke procedure eveneens buiten beschouwing gelaten dienen te worden.

Het Uwv heeft in verweer onder verwijzing naar een tweetal uitspraken van de Raad (LJN: AT5440 en AV1063) gesteld dat, nog daargelaten de vraag of inderdaad aangenomen moet worden dat het bewijs dat op grond van een aantal observaties is verkregen ook onrechtmatig is te achten, geen rechtsregel zich verzet tegen het gebruik van dat bewijs in het bestuursrecht indien het bewijs niet verkregen is op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid verwacht mag worden, dat dit gebruik onder alle omstandigheden onrechtmatig moet worden geacht.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1, vijfde lid, onder b, van de TW, wordt een gezamenlijke huishouding - onder meer - aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren.

De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat uit het rapport werknemersfraude van 18 januari 2005 voldoende aannemelijk is geworden dat appellante en [betrokkene] in de woning aan [het adres] te Zoetermeer, die per 28 november 2002 aan appellante werd verhuurd, hun hoofdverblijf hadden. In aanvulling op hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak reeds heeft vastgesteld en overwogen wijst de Raad nog op het door appellante en [betrokkene] gedeeld emailadres en de gegevens aangaande [betrokkene], appellante en haar kinderen op de internetsite Wie woont waar, welke blijkens het rapport werknemersfraude in het kader van het fraude-onderzoek op 13 augustus 2003 is geraadpleegd.

Hetgeen namens appellante in hoger beroep is gesteld over de reden van de (veelvuldige) bezoeken van [betrokkene] aan appellante noopt naar het oordeel van de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad merkt op dat, zoals in het rapport werknemersfraude in de bladzijden 12 tot en met 14 is aangegeven, door appellante en [betrokkene] tijdens de verhoren diverse tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd met betrekking tot vragen aangaande hun samenwoning, en dat ook uit de in het rapport werknemersfraude vermelde observaties van de buitengewoon opsporingsambtenaar en de getuigenverklaringen genoegzaam blijkt dat [betrokkene] vanaf 1 januari 2003 zijn hoofdverblijf had bij appellante aan [het adres].

De Raad onderschrijft tot slot, nog daargelaten de juistheid van de stelling van appellante aangaande de onrechtmatigheid van het verkregen bewijs uit observaties, hetgeen het Uwv in verweer in hoger beroep heeft gesteld. Niet is gebleken dat het bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid verwacht mag worden dat het gebruik ervan onder alle omstandigheden onrechtmatig moet worden geacht.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2008.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL