Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5725

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
06-3440 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Juiste medische en arbeidskundige grondslag? Beperking in arbeidsduur onderschat?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3440 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 mei 2006, 04/711 (de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.F. Roth, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en gereageerd op de in hoger beroep door appellante ingezonden stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Roth. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.L. Gerritsen.

II. OVERWEGINGEN

1. Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 14 mei 2004 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Hierbij heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 22 december 2003 tot de verlaging van de eerder aan appellante toegekende WAO-uitkering met ingang van 20 februari 2004. Daarbij is er van uitgegaan dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is afgenomen van 80-100% naar 45-55%.

2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

2.1. Het hoger beroep richt zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen.

3.1. Voor de beoordeling gaat de Raad uit van de feiten zoals deze door de rechtbank, door partijen niet bestreden, zijn vastgesteld.

3.2. Samengevat komen deze er op neer dat appellante haar werk als bouwtechnisch tekenaar in een dienstverband van 34 uur per week heeft gestaakt na een verkeersongeval op 7 november 2001. Aansluitend op de wettelijke wachttijd is haar per 6 november 2002 een WAO-uitkering toegekend. Haar werk als bouwtechnisch tekenaar kan zij niet langer verrichten. Haar WAO-uitkering is met ingang van 20 februari 2004 verlaagd, omdat zij gangbare arbeid zou kunnen doen waarmee een loonverlies van ongeveer 46% optreedt.

4.1. De Raad overweegt verder het volgende.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beschikbare informatie onvoldoende twijfel oproept aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen. De verzekeringsarts heeft zijn conclusies gebaseerd op eigen onderzoek en de hem ter beschikking staande medische informatie. Het oordeel van de verzekeringsarts is inzichtelijk en naar behoren onderbouwd. De bezwaarverzekeringsarts heeft eveneens lichamelijk onderzoek gedaan en kennis genomen van aanvullende informatie van de behandelaars van appellante. Hij heeft zich aangesloten bij de conclusies van de verzekeringsarts en heeft geen aanleiding gezien om verdergaande medische beperkingen aan te nemen. In de Functionele Mogelijkhedenlijst is tevens rekening gehouden met beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren. De subjectieve klachtenbeleving is voor het vaststellen van de medische beperkingen niet doorslaggevend. De (bezwaar-)verzekeringsarts heeft met de klachten rekening gehouden die medisch kunnen worden geobjectiveerd.

4.3. Nadat de rechtbank het onderzoek op haar zitting daarvoor desgevraagd had geschorst, heeft appellante rapporten ingebracht van een drietal expertises door een psychiater, een neuroloog en een neuropsycholoog met commentaar van de zijde van haar medisch adviseur. Deze rapporten zijn uitgebracht ter bepaling van de schade die appellante als gevolg van het haar overkomen verkeersongeval heeft geleden en ter afhandeling van die (civielrechtelijke) schadekwestie. Anders dan appellante, kan de Raad ook aan deze attesten niet ontlenen dat de inschatting van de voor appellante door ziekte of gebrek optredende (arbeids-)beperkingen door de (bezwaar-)verzekeringsarts niet juist is geweest. Hieraan doen niet af de naar aanleiding van de psychiatrische expertise gerezen vragen en de door appellante naar voren gebrachte bedenkingen. Appellante heeft zich zelf op die rapportage beroepen.

4.4. Appellante beroept zich op het door haar overgelegde rapport van de neuroloog

E. Oosterhoff, in het bijzonder de beantwoording door hem van vraag 5 in zijn rapport, ter onderbouwing van haar stelling dat de (bezwaar-)verzekeringsarts op medische gronden een beperking in de maximaal toegelaten arbeidsduur had moeten aannemen. Die passage luidt als volgt:

“Zij heeft wel beperkingen bij de beroepsbezigheden (..). Deze beperkingen betreffen het verrichten van lichamelijke, zware, vooral nek-, schouder- en rugbelastend activiteiten die bovendien langdurig volgehouden dan wel chronisch herhaald moeten worden. In dit verband kan gedacht worden aan langdurig gebukt staan of boven schouderhoogte werken, maar ook aan heel lang zitten, staan en lopen en vooral aan zwaar tillen, sjouwen, duwen en trekken. Bovendien zijn er belemmeringen bij klimmen en klauteren. Feitelijk zou betrokkene deze activiteiten kort moeten kunnen verrichten. De beperkingen betreffen vooral de duurbelasting.”

Het betoog van appellante slaagt niet, want het berust op een verkeerde lezing van de betreffende passage. Uit deze beantwoording door Oosterhoff van de hem voorgelegde vraag valt niet af te leiden dat hij meent dat een beperking in arbeidsduur is aangewezen, maar dat moet worden vermeden dat appellante de door hem genoemde activiteiten gedurende langere tijd dient te verrichten.

4.5.1. De door appellante in het geding gebrachte neurologische en psychiatrische expertises bevatten geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de in de Functionele Mogelijkhedenlijst vastgelegde beperkingen. Die rapporten bevestigen veeleer de juistheid van het oordeel van de (bezwaar-)verzekeringsarts.

4.5.2. Het door appellante overgelegde verslag van een neuro-psychologisch onderzoek bevat als conclusie onder meer dat er geen duidelijke neuropsychologische functiestoornissen zijn geobjectiveerd. Wel worden aanwijzingen gevonden dat appellante op geheugen- en concentratietaken onder haar feitelijke vermogen presteert. Haar intellectuele functioneren is beduidend lager dan verwacht en wordt verklaard vanuit een vertraagd tempo op onder tijdsdruk uitgevoerde testen. Verder bestaat een verdenking voor het bestaan van onderliggende psychiatrische problematiek.

4.5.3. Dat appellante lijdt aan een ziekte of gebrek in psychiatrische zin, vindt geen bevestiging in het door haar overgelegde psychiatrische rapport. De conclusie van die onderzoeker, prof. dr. R.J. van den Bosch, luidt dat er geen belangrijke afwijkingen bij psychiatrisch onderzoek van appellante worden gevonden.

4.5.4. De verzekeringsarts is, blijkens zijn rapport van 21 augustus 2003, op grond van informatie van appellante en haar behandelende psycholoog er van uitgegaan dat er duidelijke aanwijzingen bestaan voor een forse mate van pijncontingent, pijnvermijdend handelen, dat niet in verhouding staat tot de geringe ernst van de gevonden stoornis (artrose van de nek- en rugwervels) . Hij kwalificeert dat als, niet op een psychiatrische stoornis berustend “gedrag”. Anderzijds heeft de verzekeringsarts een stoornis in de volgehouden aandacht erkend en daarmee in de vaststellingen van de arbeidsbeperkingen rekening gehouden. Tevens heeft hij aanwijzingen voor het bestaan van reactief psychische problematiek aanvaard en om die reden aangenomen dat appellante is aangewezen op werk dat stressarm is. Naar het oordeel van de Raad bevat de door appellante overgelegde neuropsychologische expertise, mede gelet op de rapportage van psychiater Van den Bosch, onvoldoende aanknopingspunten dat haar arbeidsmogelijkheden in de Functionele Mogelijkhedenlijst zijn overschat.

5. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier,uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) R.L. Rijnen.

RB