Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5710

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
06-4958 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Juistheid medische en arbeidskundige grondslag? Juiste weergave van beperkingen in FML?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4958 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2006, 06/25 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Bosveld, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een ontbrekend stuk overgelegd.

Naar aanleiding van een vraag van de Raad op 6 mei 2008 heeft het Uwv op 7 mei 2008 een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig rapport, beide van 6 mei 2008, ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2008.

Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als bouwkundig tekenaar toen hij zich op 11 april 1994 ziek meldde met psychische klachten. Aan appellant is met ingang van 10 april 1995 een uitkering ingevolge onder andere de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is nadien bij verschillende gelegenheden herzien, onder andere met ingang van 19 juni 2000 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Naar aanleiding van een ziekmelding van appellant op 31 januari 2004 wegens een hartinfarct is deze uitkering bij besluit van 26 mei 2004 met ingang van 28 februari 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.1. Appellant is op 4 en 23 maart 2005 onderzocht door de verzekeringsarts

A.J.J.J. Groen-Broere. Blijkens de rapporten van die onderzoeken van dezelfde data ging het in psychisch opzicht wisselend en is appellant op 7 maart 2005 minder dan 24 uur opgenomen in het ziekenhuis wegens pijn op de borst zonder dat gebleken is van een cardiale oorzaak. Groen-Broere concludeerde na ook lichamelijk onderzoek op

23 maart 2005 dat appellant geschikt leek voor hele dagen stressbeperkt en middelzwaar werk en dat gezien de lage bloeddruk opkomen uit gebogen houding zoveel mogelijk vermeden diende te worden. Na ontvangst van informatie van de behandelend cardioloog stelde Groen-Broere op 4 april 2005 vast dat in verband met de afname van de linker ventrikelfunctie de geschiktheid van appellant niet middelzwaar maar licht werk betrof en legde zij haar bevindingen neer in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van

4 april 2005. Bij het arbeidskundig onderzoek werd vervolgens na functieduiding een verlies aan verdienvermogen berekend van 43,5%, waarna het Uwv bij besluit van

20 juni 2005 de WAO-uitkering van appellant ingaande 21 augustus 2005 herzag naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2.2. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant vermeldde de bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe in een rapport van 28 november 2005, waarin ook werd ingegaan op het besprokene ter hoorzitting, dat appellant stelde naast zijn hart- en psychische klachten ook al langer nek- en rugklachten te hebben, dat appellant al tien jaar niet meer werd behandeld voor psychische klachten en daarvoor ook geen medicatie had en dat hij voor de gestelde nek- en rugklachten ook niet werd behandeld door de huisarts of was doorverwezen. Mede gelet op de beschikbare informatie van de behandelend cardioloog en bij gebreke van medische informatie omtrent de overige klachten van appellant zag Van de Merwe geen aanleiding om af te wijken van de door Groen-Broere vastgestelde FML en concludeerde hij dat de geduide functies alle niet stresserend, licht fysiek werk betreffen dat overwegend zittend kan worden uitgevoerd, terwijl deze functies in verband met de verminderde belastbaarheid in verband met de cardiale problematiek ook wat betreft nek- en rugbelasting als licht zijn te kwalificeren. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 12 december 2005 het tegen het besluit van 20 juni 2005 gemaakte bezwaar ongegrond.

3. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 12 december 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond. De rechtbank, die melding maakte van een van de zijde van appellant in beroep overgelegd behandeladvies van de BAVO RNO Groep van 24 maart 2006, onderschreef – kort gezegd – de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

4. In hoger beroep herhaalt de gemachtigde van appellant in essentie het in eerdere fasen van de procedure voorgebrachte standpunt dat de FML zijn beperkingen onjuist weergeeft en dat hij in verband met zijn beperkingen niet in staat is tot het vervullen van de geduide functies.

5.1.1. De Raad overweegt in de eerste plaats naar aanleiding van zijn in rubriek I van deze uitspraak vermelde vraagstelling aan het Uwv, welke ziet op het onder 2.1. vermelde, door Groen-Broere noodzakelijk geachte vermijden van opkomen uit gebogen houding, dat hem de toelichting dienaangaande in het rapport van Van de Merwe van

6 mei 2008 plausibel voorkomt, zodat de FML niet reeds om deze reden aanpassing behoeft. In dit rapport is vermeld dat beperkingen ten aanzien van buigen en frequent buigen tijdens het werk in principe aan de orde zijn bij geobjectiveerde aandoeningen van het bewegingsapparaat, waarvan in dit geval geen sprake is. Voorts is toegelicht dat

Groen-Broere heeft bedoeld te stellen dat appellant in verband met een relatief wat lage bloeddruk bij het snel oprichten van het bovenlichaam/hoofd vanuit een diepe buiging duizeligheidsklachten zou kunnen krijgen, waarvan uit de beschikbare gegevens overigens niet is gebleken. In het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige J.F. Stoffijn van eveneens 6 mei 2008 is vervolgens aangegeven dat in de geduide functies diep buigen niet voorkomt dan wel dat, voorzover wel diep (90 graden) moet worden gebogen, het snel opkomen uit die buiging geen vereiste is. Ook deze toelichting acht de Raad plausibel.5.1.2. De Raad heeft ook overigens geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Met de rechtbank ziet de Raad in de beschikbare medische informatie geen reden te twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische oordeel. Hieraan doet naar het oordeel van de Raad ook niet af het onder 3 vermelde, enkele behandeladvies van de BAVO RNO Groep, dat geen enkele informatie bevat omtrent de psychische gezondheidstoestand van appellant en dat overigens dateert van na de datum in geding.

5.1.3. De Raad heeft ten slotte, evenals de rechtbank, geen aanleiding gezien de aan de onderhavige schatting ten grondslag gelegde toelichting in het arbeidskundig rapport van 16 juni 2005 op de medische geschiktheid van de geduide functies voor onjuist te houden.

5.2. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Lochs

TM