Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5662

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
06-2176 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering toe te kennen. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig verricht? Beperkingen objectiveerbaar?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2176 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 15 maart 2006, 05/487 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingebracht.

Het Uwv heeft, naar aanleiding van deze stukken, nader gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2008. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.1. Appellant is wegens klachten van duizeligheid, druk op het hoofd, vermoeidheid, koortsaanvallen, slaapproblemen, gewichtsverlies, veel urineren en dorst op 1 november 2002 gedeeltelijk en in juli 2004 geheel uitgevallen voor zijn werk als zelfstandig technisch schrijver.

1.2. De verzekeringsarts heeft appellant op 19 november 2004 onderzocht. Bij rapport van gelijke datum is de verzekeringsarts, waarbij hij rekening heeft gehouden met inlichtingen van de huisarts, tot de conclusie gekomen dat bij appellant geen sprake is van vermindering van de benutbare mogelijkheden voor werk als rechtstreeks en objectief gevolg van ziekte of gebrek. Gelet op deze conclusie heeft de verzekeringsarts geen Functionele Mogelijkhedenlijst opgesteld.

1.3. Bij besluit van 23 november 2004 is, in lijn met de uitkomsten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, geweigerd aan appellant met ingang van 1 november 2002 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen onder de overweging dat hij op en na die datum niet ongeschikt is tot het verrichten van werk.

1.4. In de bezwaarfase heeft appellant informatie ingebracht van zijn huisarts en van de behandelend reumatoloog. De behandelend reumatoloog heeft op 21 februari 2005 verklaard dat appellant niet strikt voldoet aan de criteria voor fibromyalgie en hij adviseert reactivering en verbetering van de belastbaarheid via de revalidatiearts. Zijn conclusie is dat er sprake is van een syndroom met algemene locomotore pijnklachten en ernstige moeheid. In het overzichtsjournaal van de huisarts van 14 maart 2005 is vermeld dat objectivering van moeheid bij cardioloog en longarts geen verklaring voor de klachten gaf.

1.5. De bezwaarverzekeringsarts heeft na kennisneming van voornoemde gegevens het volgende overwogen. “Echter ook uit deze informatie komen geen objectief medische verklaringen voor belanghebbende klachten naar voren. Immers, de huisarts schrijft dat een cardioloog en longarts geen verklaring konden vinden. Ook de reumatoloog beschrijft geen duidelijke medische stoornis. Er wordt gesproken over een pijn- en moeheidsyndroom zonder specifieke geobjectiveerde reumatologische afwijkingen. In het verleden (1989) is belanghebbende wel eens behandeld voor rugklachten, maar hij heeft er in de jaren daarna gewoon mee gewerkt, deze klachten waren niet de reden van uitval en een duidelijke medische (neurologische of orthopedische) diagnose is in de loop der jaren nimmer gesteld. Ik meen dan ook, dat de ingebrachte informatie slechts de visie van de primaire verzekeringsarts bevestigd. […] Er zijn echter geen aanwijzingen voor een evidente psychiatrische stoornis of een persoonlijkheidsstoornis met verlies aan autonomie zodat ook betreffende het psychische functieveld geen ziekte of gebrek aan de orde is.” De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts geconcludeerd dat er geen sprake is van ziekte of gebrek in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetgeving.

1.6. Bij besluit van 22 maart 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de evenvermelde conclusie van de bezwaarverzekeringsarts overgenomen en is het tegen het besluit van 23 november 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.7. Appellant heeft in beroep gewezen op de omstandigheid dat uit bevindingen van de radioloog van 15 november 2005 blijkt dat sprake is van een afwijking aan beide schouders, welke zijns inziens mogelijk de oorzaak is voor zijn in 2002 ontstane klachten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - kort samengevat - geoordeeld dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze is verricht en dat uit de beschikbare informatie niet is gebleken dat appellant als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is duurzame arbeid te verrichten.

3. In geschil is de vraag of de rechtbank terecht en op goede gronden het bestreden besluit in stand heeft gelaten.

4. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

5.1. Ook naar het oordeel van de Raad is het onderzoek door de verzekeringsartsen voldoende uitgebreid en zorgvuldig geweest. Er is, naast de resultaten van eigen medisch onderzoek, ook kennis genomen van informatie van de behandelend reumatoloog en van de huisarts, die in zijn overzichtsjournaal tevens de bevindingen van de cardioloog en de longarts heeft weergegeven.

5.2. Het geheel van de omtrent appellant beschikbare medische gegevens, zowel die van verzekeringsgeneeskundige aard als die afkomstig van de behandelend sector, in ogenschouw nemend, constateert de Raad in navolging van de rechtbank dat bij appellant geen lichamelijke en/of psychische aandoening is vastgesteld op grond waarvan, gemeten naar de vereiste objectieve maatstaf, zou dienen te worden aangenomen dat ten aanzien van hem ten tijde in dit geding van belang sprake is van enige wezenlijke op ziekte of gebrek terug te voeren beperking ten aanzien van het verrichten van arbeid. Appellant is door vele artsen van verschillende disciplines onderzocht en daarbij zijn, naar de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv met juistheid heeft geconstateerd, geen objectiveerbare afwijkingen aangetroffen.

5.3. De in hoger beroep nader ingebrachte (medische) gegevens afkomstig van de fysiotherapeut en de radioloog bevatten geen nieuwe relevante medische gegevens ten opzichte van de eerder vastgelegde onderzoeksbevindingen. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapportages blijkt immers dat de bij appellant aanwezige nek- en schouderklachten door de verzekeringsartsen zijn onderkend nu daar is opgenomen dat bij lichamelijk onderzoek een lichte beperking van de linkerschouder bij endorotatie is aangetroffen en er melding wordt gemaakt van het feit dat appellant sinds een verkeerde beweging op zijn zesde jaar last heeft van zijn nek. Dat deze klachten in enig opzicht een causaal verband hebben met de claimklachten zoals weergegeven onder rechtsoverweging 1.1. waarmee appellant op 1 november 2002 (gedeeltelijk) is uitgevallen, is echter niet uit de ingebrachte stukken af te leiden. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant ook in hoger beroep niet erin geslaagd is zijn eigen opvatting inzake de voor hem op de datum in geding geldende fysieke beperkingen aan de hand van objectief-medische gegevens te onderbouwen.

5.4. Gelet hierop heeft de Raad geen aanknopingspunten om aan te nemen dat er bij appellant op de datum hier in geding sprake is van tot objectiveerbare gronden te herleiden ziekte of gebreken waardoor hij niet in staat is tot het verrichten van arbeid. Dat de radioloog op 14 augustus 2007 stelt dat appellant vrij ernstige klachten heeft en zich afvraagt of er uiteindelijk toch niet orthopedische hulp moet worden ingeroepen, doet hier niet aan af. De ontwikkelingen in appellants gezondheid die dateren van na 1 november 2002 kunnen immers geen rol spelen bij de in de onderhavige procedure voorliggende beoordeling of appellant op 1 november 2002 arbeidsongeschikt is in de zin van de WAZ.

6. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.H.A. Uri.

RB