Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
06/3082 WAO en 06/3220 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Arbeidskundige component arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet aan merken als zelfstandig deelbesluit. In hoger beroep alsnog nadere toelichting passendheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3082 WAO en 06/3220 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

en

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 april 2006, 05/4426 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 25 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft [naam schoonvader], schoonvader van betrokkene, hoger beroep ingesteld.

Betrokkene en het Uwv hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2008. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door [naam schoonvader]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was werkzaam als verkoopster voor 30 uur per week. In december 2000 is zij arbeidsongeschikt geworden vanwege klachten samenhangend met bekkeninstabiliteit na zwangerschap. In verband daarmee is haar per 27 december 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Op 22 november 2004 is betrokkene onderzocht door een verzekeringsarts in opleiding. Deze concludeerde dat sommige onderzoeksbevindingen tegenstrijdig waren. Hij achtte niet alle klachten medisch objectiveerbaar, maar zag in de klachten voldoende consistentie om te kunnen spreken van ziekte of gebrek. In verband daarmee nam hij beperkingen aan ten aanzien van dynamische handelingen en statische houdingen, zij het minder zware beperkingen dan voorheen. Deze beperkingen werden vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Aan de hand van deze FML selecteerde een arbeidsdeskundige functies uit het Claim Beoordelings en Borgings Systeem en berekende het verlies aan verdiencapaciteit van betrokkene op 0%. In overeenstemming daarmee heeft het Uwv bij besluit van 24 februari 2005 de WAO-uitkering van betrokkene per 25 april 2005 ingetrokken.

1.2. Het tegen het besluit van 24 februari 2005 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 13 oktober 2005 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft de medische onderbouwing van het bestreden besluit onderschreven. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit gegrond omdat dit besluit een als ontoereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeerde. De rechtbank heeft alleen het arbeidskundig deel van het besluit vernietigd, het Uwv opgedragen in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen en bepaald dat het griffierecht aan betrokkene wordt vergoed.

3. Hoger beroep Uwv (06/3082 WAO)

3.1. Het Uwv heeft, voor zover thans nog van belang, in hoger beroep aangevoerd dat het bestreden besluit niet is te splitsen in een zelfstandig medisch deel en een zelfstandig arbeidskundig deel, omdat alleen het resultaat van beide beoordelingen tezamen tot rechtsgevolg leidt. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de rechtbank het gehele besluit had moeten vernietigen.

3.2. Met verwijzing naar zijn uitspraken van 16 maart 2005, LJN: AT1852, en 23 januari 2008, LJN: BC2880, overweegt de Raad dat de arbeidskundige component van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet is aan te merken als een zelfstandig deelbesluit en - zo voegt de Raad daaraan thans toe - dat een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling derhalve ook niet bestaat uit onderdelen van een besluit als bedoeld in (de wetsgeschiedenis van) artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zoals de Raad in de uitspraken van 16 maart 2005 en 23 januari 2008, alsook in zijn uitspraak van 28 november 2007, LJN: BB9311, heeft overwogen, betekent dit dat voor gedeeltelijke vernietiging geen plaats is.

4. Hoger beroep betrokkene (06/3220 WAO)

4.1. Namens betrokkene is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank haar oordeel, zowel over de medische als de arbeidskundige kant van het bestreden besluit, onzorgvuldig heeft gemotiveerd. Betrokkene stelt dat, hoewel bekkeninstabiliteit medisch niet objectiveerbaar is, dit toch niet betekent dat er per definitie niets aan de hand is. Voorts had de rechtbank de gegevens van het Spine- en Joint Centre bij haar beoordeling moeten betrekken. Uit die gegevens en de verklaring van de fysiotherapeut blijkt dat sprake is van een consistent klachtenpatroon en dat betrokkene in het dagelijks leven erg beperkt is, terwijl in de FML slechts lichte beperkingen zijn aangenomen. Voorts had de rechtbank aandacht moeten besteden aan de opmerking van de arbo-arts dat het Uwv-onderzoek veel onvolkomenheden bevat. Betrokkene had verwacht dat de rechtbank een deskundige zou inschakelen. Bovendien meent betrokkene dat ten onrechte functies met niveau 4 zijn geduid en acht zij niet duidelijk welke datum in geding is.

4.2. De Raad stelt vast dat betrokkene is onderzocht door de primaire arts.

De bezwaarverzekeringsarts heeft betrokkene op de hoorzitting gezien, informatie ingewonnen bij de huisarts en dossieronderzoek gedaan. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest.

4.2.1. Voorts stelt de Raad vast dat de FML waarop het bestreden besluit berust enige verborgen beperkingen bevat. De Raad ziet geen aanleiding de medische onderbouwing van het bestreden besluit op die grond onvoldoende te achten. In dat verband merkt de Raad op dat een bezwaarverzekeringsarts hangende het hoger beroep een nadere toelichting heeft gegeven op de FML en de verborgen beperkingen daarin heeft geïntegreerd. Dit heeft niet geleid tot een wezenlijk andere belastbaarheid. De Raad neemt de aangepaste FML als uitgangspunt bij zijn verdere beoordeling.

4.2.2. De Raad ziet onvoldoende aanleiding te oordelen dat de beperkingen van betrokkene zijn onderschat. In de eerste plaats wijst de Raad erop dat de verzekeringsartsen niet hebben geconcludeerd dat er helemaal niets aan de hand was met betrokkene. De primaire arts is uitgegaan van ziekte of gebrek en heeft in verband daarmee beperkingen voor arbeid aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft deze beperkingen bevestigd. Dat deze beperkingen lichter zijn dan voorheen werd aangenomen, acht de Raad niet onbegrijpelijk nu bij onderzoek door een orthopedisch chirurg in 2003 en 2004 geen afwijkingen in de bekkenbodem zijn vastgesteld. Ook de opinie van het Spine en Joint Centre zoals neergelegd in de brief van 19 december 2005 geeft de Raad geen aanleiding voor twijfel aan de vastgestelde beperkingen. Wel is de Raad, anders dan bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep in zijn rapport van 27 maart 2006, van oordeel dat de bevindingen van het Spine en Joint Centre, hoewel de betreffende brief is gedateerd na de datum in geding, wel enig gewicht in de schaal kunnen leggen, nu de klachten van betrokkene ten tijde van het onderzoek door het

Spine en Joint Centre niet anders waren dan ten tijde in geding.

4.2.3. De conclusie uit de overwegingen 4.2.1 en 4.2.2 is dat het oordeel van de rechtbank over de medische onderbouwing van het bestreden besluit kan worden onderschreven.

4.3. De Raad stelt vast dat een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv hangende het hoger beroep een nadere toelichting heeft gegeven op de geschiktheid van de functies.

De Raad staat thans voor de beantwoording van de vraag of gelet op die toelichting de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (geheel) in stand kunnen blijven.

4.3.1. De Raad is van oordeel dat thans voldoende is toegelicht dat de belasting in de functies schadecorrespondent (SBC-code 516080), administratief medewerker afhandelingen (SBC-code 515080) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) in overeenstemming is met de voor betrokkene vastgestelde belastbaarheid, zodat deze functies voor betrokkene geschikt moeten worden geacht.

4.3.2. Voorts is de Raad van oordeel dat gelet op de door betrokkene gevolgde en afgeronde opleidingen bij de functieselectie terecht is uitgegaan van opleidingsniveau 4 en dat onmiskenbaar 25 april 2005 de datum hier in geding is.

4.3.3. De conclusie uit de overwegingen 4.3.1 en 4.3.2 is dat de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit thans een voldoende niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid heeft. Gelet daarop kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit is vernietigd, het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak en het bestreden besluit voor het overige in stand is gelaten;

Vernietigt het bestreden besluit geheel;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen aan betrokkene het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en

M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op

25 juni 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

RB

06/3082 WAO en 06/3220 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

en

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 april 2006, 05/4426 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 25 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft [naam schoonvader], schoonvader van betrokkene, hoger beroep ingesteld.

Betrokkene en het Uwv hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2008. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door [naam schoonvader]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was werkzaam als verkoopster voor 30 uur per week. In december 2000 is zij arbeidsongeschikt geworden vanwege klachten samenhangend met bekkeninstabiliteit na zwangerschap. In verband daarmee is haar per 27 december 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Op 22 november 2004 is betrokkene onderzocht door een verzekeringsarts in opleiding. Deze concludeerde dat sommige onderzoeksbevindingen tegenstrijdig waren. Hij achtte niet alle klachten medisch objectiveerbaar, maar zag in de klachten voldoende consistentie om te kunnen spreken van ziekte of gebrek. In verband daarmee nam hij beperkingen aan ten aanzien van dynamische handelingen en statische houdingen, zij het minder zware beperkingen dan voorheen. Deze beperkingen werden vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Aan de hand van deze FML selecteerde een arbeidsdeskundige functies uit het Claim Beoordelings en Borgings Systeem en berekende het verlies aan verdiencapaciteit van betrokkene op 0%. In overeenstemming daarmee heeft het Uwv bij besluit van 24 februari 2005 de WAO-uitkering van betrokkene per 25 april 2005 ingetrokken.

1.2. Het tegen het besluit van 24 februari 2005 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 13 oktober 2005 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft de medische onderbouwing van het bestreden besluit onderschreven. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit gegrond omdat dit besluit een als ontoereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeerde. De rechtbank heeft alleen het arbeidskundig deel van het besluit vernietigd, het Uwv opgedragen in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen en bepaald dat het griffierecht aan betrokkene wordt vergoed.

3. Hoger beroep Uwv (06/3082 WAO)

3.1. Het Uwv heeft, voor zover thans nog van belang, in hoger beroep aangevoerd dat het bestreden besluit niet is te splitsen in een zelfstandig medisch deel en een zelfstandig arbeidskundig deel, omdat alleen het resultaat van beide beoordelingen tezamen tot rechtsgevolg leidt. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de rechtbank het gehele besluit had moeten vernietigen.

3.2. Met verwijzing naar zijn uitspraken van 16 maart 2005, LJN: AT1852, en 23 januari 2008, LJN: BC2880, overweegt de Raad dat de arbeidskundige component van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet is aan te merken als een zelfstandig deelbesluit en - zo voegt de Raad daaraan thans toe - dat een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling derhalve ook niet bestaat uit onderdelen van een besluit als bedoeld in (de wetsgeschiedenis van) artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zoals de Raad in de uitspraken van 16 maart 2005 en 23 januari 2008, alsook in zijn uitspraak van 28 november 2007, LJN: BB9311, heeft overwogen, betekent dit dat voor gedeeltelijke vernietiging geen plaats is.

4. Hoger beroep betrokkene (06/3220 WAO)

4.1. Namens betrokkene is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank haar oordeel, zowel over de medische als de arbeidskundige kant van het bestreden besluit, onzorgvuldig heeft gemotiveerd. Betrokkene stelt dat, hoewel bekkeninstabiliteit medisch niet objectiveerbaar is, dit toch niet betekent dat er per definitie niets aan de hand is. Voorts had de rechtbank de gegevens van het Spine- en Joint Centre bij haar beoordeling moeten betrekken. Uit die gegevens en de verklaring van de fysiotherapeut blijkt dat sprake is van een consistent klachtenpatroon en dat betrokkene in het dagelijks leven erg beperkt is, terwijl in de FML slechts lichte beperkingen zijn aangenomen. Voorts had de rechtbank aandacht moeten besteden aan de opmerking van de arbo-arts dat het Uwv-onderzoek veel onvolkomenheden bevat. Betrokkene had verwacht dat de rechtbank een deskundige zou inschakelen. Bovendien meent betrokkene dat ten onrechte functies met niveau 4 zijn geduid en acht zij niet duidelijk welke datum in geding is.

4.2. De Raad stelt vast dat betrokkene is onderzocht door de primaire arts.

De bezwaarverzekeringsarts heeft betrokkene op de hoorzitting gezien, informatie ingewonnen bij de huisarts en dossieronderzoek gedaan. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest.

4.2.1. Voorts stelt de Raad vast dat de FML waarop het bestreden besluit berust enige verborgen beperkingen bevat. De Raad ziet geen aanleiding de medische onderbouwing van het bestreden besluit op die grond onvoldoende te achten. In dat verband merkt de Raad op dat een bezwaarverzekeringsarts hangende het hoger beroep een nadere toelichting heeft gegeven op de FML en de verborgen beperkingen daarin heeft geïntegreerd. Dit heeft niet geleid tot een wezenlijk andere belastbaarheid. De Raad neemt de aangepaste FML als uitgangspunt bij zijn verdere beoordeling.

4.2.2. De Raad ziet onvoldoende aanleiding te oordelen dat de beperkingen van betrokkene zijn onderschat. In de eerste plaats wijst de Raad erop dat de verzekeringsartsen niet hebben geconcludeerd dat er helemaal niets aan de hand was met betrokkene. De primaire arts is uitgegaan van ziekte of gebrek en heeft in verband daarmee beperkingen voor arbeid aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft deze beperkingen bevestigd. Dat deze beperkingen lichter zijn dan voorheen werd aangenomen, acht de Raad niet onbegrijpelijk nu bij onderzoek door een orthopedisch chirurg in 2003 en 2004 geen afwijkingen in de bekkenbodem zijn vastgesteld. Ook de opinie van het Spine en Joint Centre zoals neergelegd in de brief van 19 december 2005 geeft de Raad geen aanleiding voor twijfel aan de vastgestelde beperkingen. Wel is de Raad, anders dan bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep in zijn rapport van 27 maart 2006, van oordeel dat de bevindingen van het Spine en Joint Centre, hoewel de betreffende brief is gedateerd na de datum in geding, wel enig gewicht in de schaal kunnen leggen, nu de klachten van betrokkene ten tijde van het onderzoek door het

Spine en Joint Centre niet anders waren dan ten tijde in geding.

4.2.3. De conclusie uit de overwegingen 4.2.1 en 4.2.2 is dat het oordeel van de rechtbank over de medische onderbouwing van het bestreden besluit kan worden onderschreven.

4.3. De Raad stelt vast dat een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv hangende het hoger beroep een nadere toelichting heeft gegeven op de geschiktheid van de functies.

De Raad staat thans voor de beantwoording van de vraag of gelet op die toelichting de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (geheel) in stand kunnen blijven.

4.3.1. De Raad is van oordeel dat thans voldoende is toegelicht dat de belasting in de functies schadecorrespondent (SBC-code 516080), administratief medewerker afhandelingen (SBC-code 515080) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) in overeenstemming is met de voor betrokkene vastgestelde belastbaarheid, zodat deze functies voor betrokkene geschikt moeten worden geacht.

4.3.2. Voorts is de Raad van oordeel dat gelet op de door betrokkene gevolgde en afgeronde opleidingen bij de functieselectie terecht is uitgegaan van opleidingsniveau 4 en dat onmiskenbaar 25 april 2005 de datum hier in geding is.

4.3.3. De conclusie uit de overwegingen 4.3.1 en 4.3.2 is dat de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit thans een voldoende niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid heeft. Gelet daarop kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit is vernietigd, het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak en het bestreden besluit voor het overige in stand is gelaten;

Vernietigt het bestreden besluit geheel;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen aan betrokkene het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en

M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op

25 juni 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

RB