Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5539

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
06/2062 WAO en 07/5176 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering, na 3 jaar anticumulatie. Terugwerkende kracht. Alle stukken toegezonden door Uwv? Reductiefactor. Leeftijdsdiscriminatie?

Wetsverwijzingen
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 9
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2062 WAO en 07/5176 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van 24 februari 2006, 05/935 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 30 juli 2007, 06/1450 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 24 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend en bij brieven van 17 juli 2007 en

6 februari 2008 nadere stukken ingezonden.

Appellant heeft bij brieven van 3 november 2007, 6 januari 2008 en 19 maart 2008 de hoger beroepen nader toegelicht

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2008. Appellant is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 11 november 1998 met onder andere psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als constructeur/werkvoorbereider bij [naam bedrijf A]. Met ingang van 10 november 1999 is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 1 augustus 2001 is appellant als fulltime CAD-tekenaar in dienst getreden bij [naam bedrijf B] In verband met de hoogte van appellants inkomsten uit arbeid bij [naam bedrijf B] is de uitkering met toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO, over genoemde periode niet tot uitbetaling gekomen. Op 11 februari 2004 heeft appellant ontslag genomen bij [naam bedrijf B] en op

16 februari 2004 is hij als tekenaar voor 24 uur per week in dienst getreden bij [naam bedrijf C]. Vanaf deze datum werd de uitkering uitbetaald als ware appellant ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.

1.2. Bij besluit van 4 februari 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering vanaf 1 februari 2005 wordt uitbetaald als was hij ingedeeld in de klasse van

25 tot 35%. Bij besluit van 24 februari 2005 heeft het Uwv de uitkering met ingang van

1 maart 2005 definitief herzien en berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De bezwaren van appellant tegen de besluiten van 4 februari 2005 en

24 februari 2005 zijn, onder intrekking van die besluiten, door het Uwv gegrond verklaard bij besluit van 23 juni 2005, hierna: besluit 1. Daarbij heeft het Uwv besloten dat met toepassing van artikel 44, tweede lid, van de WAO, de uitkering met ingang van 1 augustus 2004 definitief wordt herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van

35 tot 45%.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen besluit 1 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd wegens schending van de hoorplicht voorafgaand aan het nemen van dit besluit. De rechtbank heeft tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van besluit 1 in stand blijven. Voorts heeft zij beslist dat het griffierecht aan appellant vergoed moet worden. De rechtbank heeft, kort samengevat, vastgesteld dat op 1 augustus 2004 de in artikel 44, tweede lid, van de WAO, genoemde aaneengesloten periode van drie jaren waarover korting van de inkomsten uit arbeid kan plaatsvinden is verstreken, dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien tot een medisch heronderzoek, dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per

1 augustus 2004 op de juiste wijze heeft berekend en dat geen aanleiding bestaat de toepassing van artikel 44, tweede lid, van de WAO, met terugwerkende kracht onzorgvuldig te achten. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover hierbij de rechtsgevolgen van besluit 1 in stand zijn gelaten.

3. In het kader van een eenmalige herbeoordeling van het recht op uitkering naar aanleiding van het per 1 oktober 2004 gewijzigde Schattingsbesluit arbeidsongeschikt-heidswetten (hierna Sb) is een medisch onderzoek ingesteld, waarbij op verzoek van een verzekeringsarts van het Uwv een expertise heeft plaatsgevonden door psychiater

W.H.J. Mutsaers, die op 4 november 2005 rapport heeft uitgebracht. Ook is een arbeidskundig onderzoek ingesteld. Naar aanleiding van de resultaten hiervan heeft het Uwv bij besluit van 8 maart 2006 de WAO-uitkering met ingang van 4 mei 2006 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van

5 oktober 2006, hierna: besluit 2, heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd.

4. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard, waarbij zij de medische en arbeidskundige grondslag van dit besluit heeft onderschreven. Ook tegen deze uitspraak heeft appellant gemotiveerd hoger beroep ingesteld.

5.1. De Raad zal allereerst ingaan op de stelling van appellant dat het Uwv niet alle stukken in het geding heeft gebracht. Appellant doet daarmee een beroep op artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarin is bepaald dat het bestuursorgaan binnen een bepaalde termijn de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank zendt. Anders dan appellant kennelijk meent, is het bestuursorgaan niet gehouden alle stukken die op de betrokkene van toepassing zijn aan de rechtbank te zenden, maar slechts de stukken die nodig zijn om te kunnen beoordelen of de WAO-uitkering van appellant per 1 augustus 2004 en per 4 mei 2006 terecht is herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%, respectievelijk 25 tot 35%. De Raad is niet gebleken dat het Uwv heeft verzuimd relevante stukken aan de rechtbank toe te zenden. Van strijd met artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is de Raad derhalve niet gebleken.

5.2. Met betrekking tot de herziening van de uitkering per 1 augustus 2004 naar de klasse van 35 tot 45% verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank zoals neergelegd in de aangevallen uitspraak 1 en onderschrijft hij in grote lijnen de overwegingen van de rechtbank. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de aan besluit gegeven terugwerkende kracht en de maximering van het maatmanloon voegt de Raad nog het volgende toe.

5.2.1. De herziening van de uitkering van appellant met ingang van 1 augustus 2004 heeft plaats gevonden met toepassing van artikel 44, tweede lid, van de WAO en met terugwerkende kracht. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad is de intrekking of herziening van een uitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd te achten met het rechtszekerheidsbeginsel. Uitzonderingen hierop zijn echter mogelijk, bij voorbeeld in het geval waarin een betrokkene redelijkerwijs geacht kan worden kennis te dragen van het feit dat inkomsten uit arbeid van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald. Appellant was ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. Vanaf 1 augustus 2001 zag hij over een nagenoeg aaneengesloten periode van drie jaar kans inkomsten uit arbeid te verwerven die onevenredig hoog waren in verhouding tot de mate van arbeidsongeschiktheid. Gelet op het doel van een arbeidsongeschiktheids-uitkering, namelijk het bieden van een compensatie voor een door ziekte of gebrek ontstaan verlies aan vermogen om met arbeid inkomsten te verwerven, had appellant redelijkerwijs kunnen weten dat zijn inkomsten uit arbeid van invloed zouden kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. In de brief van 24 september 2001, waarbij het Uwv appellant op de hoogte stelde van het feit dat zijn uitkering in verband met inkomsten uit arbeid per 1 augustus 2001 niet tot uitbetaling kwam, is aangegeven dat deze situatie ten hoogste 36 maanden zou duren. Onder deze omstandigheden is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het Uwv zonder in strijd te komen met het rechtszekerheidsbeginsel ten aanzien van appellant met terugwerkende kracht toepassing mocht geven aan artikel 44, tweede lid, van de WAO. Dit geldt temeer nu appellant geen nadeel heeft ondervonden van de herziening naar de klasse van 35 tot 45% per 1 augustus 2004 omdat hem in de periode voorafgaand aan 1 augustus 2004 reeds feitelijk uitkering werd betaald als was hij 35 tot 45% arbeidsongeschikt.

5.2.2. Anders dan appellant veronderstelt heeft het Uwv bij het bepalen van het verlies aan verdienvermogen per 1 augustus 2004 de maatman niet gemaximeerd op 38 uur per week. Niet alleen is dit met zoveel woorden aangegeven in besluit 1, maar dit blijkt ook uit het arbeidskundig rapport van 1 april 2004, waarin is uitgegaan van een ongemaximeerde maatmanomvang van 40 uur per week.

5.2.3. Het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak 1 slaagt derhalve niet en deze uitspraak moet worden bevestigd.

5.3. Met betrekking tot de in besluit 2 neergelegde herziening van de WAO-uitkering per 4 mei 2006 naar de klasse van 25 tot 35% verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak 2 en met de overwegingen waarop dit oordeel berust. Mede naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd voegt hij hieraan nog het volgende toe.

5.3.1. Er is geen aanleiding besluit 2 te vernietigen op de grond dat het Uwv bij het nemen van dat besluit de in artikel 7:10 van de Awb genoemde beslistermijn heeft overschreden nu niet is gebleken dat appellant hierdoor schade heeft ondervonden.

5.3.2. Appellant ontving de uitkering op grond van psychische beperkingen. Zowel bij de onderzoeken van de verzekeringsarts op 26 augustus 2005 en 9 december 2005 als in de bezwaarfase stonden de psychische klachten van appellant voorop. Appellant was voor lichamelijke klachten niet onder behandeling van een arts en heeft in bezwaar ook niet aangedrongen op lichamelijk onderzoek. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat ten onrechte is afgezien van lichamelijk onderzoek.

5.3.3. De Raad is niet gebleken van redenen op grond waarvan het Uwv het expertise-rapport van psychiater Mutsaers niet aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen. Uit de gedingstukken, in het bijzonder uit de rapportage van de verzekeringsarts van 26 augustus 2005 en uit het expertiserapport zelf blijkt dat appellant ervan op de hoogte was dat het hier niet ging om een psychiatrische behandeling maar om een expertise in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling en dat appellant hieraan zijn vrijwillige medewerking heeft gegeven.

5.3.4. Ook de Raad heeft op grond van de zich in het dossier bevindende medische stukken geen reden tot twijfel aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van psychiater Mutsaers en de wijze waarop deze door de verzekeringsarts zijn overgenomen en weergegeven in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst van

9 december 2005 en zijn geaccordeerd door de bezwaarverzekeringsarts in diens rapport van 4 september 2006. Door appellant zijn geen medische gegevens in het geding gebracht die een ander licht werpen op zijn gezondheidstoestand op de hier in geding zijnde datum 4 mei 2006.

5.3.5. De Raad stelt vast dat het Uwv in de loop van de bezwaarprocedure de arbeidskundige grondslag van besluit 2 heeft gewijzigd. De bezwaararbeidsdeskundige H.G. Coerts is in zijn rapport van 21 september 2006 namelijk tot de conclusie gekomen dat vrijwel alle voor appellant in de primaire fase geselecteerde voorbeeldfuncties de voor appellant vastgestelde urenbeperking van 6 uur per dag overschreden, zodat een schatting op basis van die functies geen stand kan houden. Om deze reden is met toepassing van artikel 9, aanhef en onder h. van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dat luidde op 1 oktober 2004, uitgegaan van het uurloon dat appellant feitelijk verdiende met zijn werkzaamheden gedurende 24 uur per week bij UTS. Dit loon is vergeleken met het geïndexeerde maatmanuurloon dat appellant verdiende bij Draft in een 40-urige werkweek, waarop de reductiefactor 24/40 is toegepast, hetgeen eveneens leidt tot een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid aldus op de juiste wijze berekend. De urenomvang van de maatman is met de rapportage van de arbeids-deskundige van 21 februari 2006 voldoende onderbouwd.

5.3.6. Overigens is, anders dan appellant veronderstelt, het aantal uren waarin hij in zijn maatmanarbeid werkte niet van invloed op het verlies aan verdiencapaciteit. Immers, zoals de Raad ook heeft overwogen in zijn uitspraak van 19 oktober 2007, LJN: BB6448, wordt bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid gebruik gemaakt van een reductiefactor, waarvan de teller wordt gevormd door de aan de in aanmerking te nemen arbeid verbonden werkweek en de noemer gelijk is aan de maatmanomvang. Als de maatmanomvang wijzigt verandert ook de reductiefactor en wel zo dat het effect van de wijziging van de maatmanomvang op de daling of stijging van het uurinkomen van de maatman in de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid rekenkundig volledig teniet wordt gedaan. Anders gezegd, voor de berekening van de mate van arbeidsonge-schiktheid is de maatmanomvang dus (uiteindelijk) in het algemeen zonder betekenis. Dat geldt ook voor het geval van appellant.

5.3.7. Met zijn beroep op leeftijdsdiscriminatie doelt appellant kennelijk op de eenmalige herbeoordeling van uitkeringsgerechtigden die zijn geboren vóór 1 juli 1959, in het kader van het gewijzigde artikel 34, vierde lid van de WAO aan de hand van het per

1 oktober 2004 gewijzigde Sb. De Raad merkt op dat geen causaal verband bestaat tussen de wijziging van het Sb per 1 oktober 2004 en de herziening van de uitkering van appellant. Immers, aan deze herziening ligt artikel 9, aanhef en onder h. van het Sb ten grondslag, welke bepaling niet is gewijzigd per 1 oktober 2004. Dit brengt met zich mee dat ook onder de werking van het Sb zoals dat luidde vóór 1 oktober 2004 een herziening van de uitkering naar de mate 25 tot 35% per 4 mei 2006 gerechtvaardigd zou zijn geweest. Van ongerechtvaardigd onderscheid naar leeftijd is dan ook geen sprake.

6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak 2 niet slaagt en dat ook deze uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en

H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2008.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) A. Badermann.

MH