Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5476

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
06-5077 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WAO-uitkering met terugwerkende kracht. Terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5077 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 juli 2006, 05/5446 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M. Mellema, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mellema. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is met ingang van 27 mei 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Met ingang van 15 juni 2003 is appellant gedurende gemiddeld 24 uur per week werkzaam in dienst van [naam werkgever]. Naar aanleiding van de opgave van appellant van zijn inkomsten heeft het Uwv bij besluit van 28 oktober 2003 de betaling van de WAO-uitkering met ingang van

1 november 2003 geschorst en tevens aan appellant met ingang van die datum bij wijze van voorschot een uitkering toegekend, berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.

1.2. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv, onder intrekking van een besluit van 6 april 2005, bij besluit van 14 april 2005 (besluit 1) in verband met appellants inkomen uit arbeid met ingang van 15 juni 2003 een korting toegepast op zijn uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%. Bij besluit 1 is tevens appellants WAO-uitkering met ingang van 1 april 2005 herzien en vastgesteld naar de klasse 25 tot 35%. Bij besluit van 18 april 2005 (besluit 2) heeft het Uwv de over de maand april 2005 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering ten bedrage van € 102,66 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 19 april 2005 (besluit 3) heeft het Uwv de over de periode van 15 juni 2003 tot en met 31 maart 2005 onverschuldigd betaalde uitkering ad € 3.292,12 van appellant teruggevorderd.

1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de drie primaire besluiten. Bij besluit van

20 september 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. In het bestreden besluit is toegelicht dat met de in besluit 1 genoemde ”korting uitkering” wordt bedoeld dat de WAO-uitkering onder toepassing van artikel 44 van de WAO met ingang van 15 juni 2003 wordt uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen besluit 1 en besluit 3 ongegrond is verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak voorop gesteld dat de WAO-uitkering van appellant niet met terugwerkende kracht tot 15 juni 2003 is herzien, maar dat met ingang van die datum op grond van artikel 44 van de WAO een korting op zijn uitkering is toegepast. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het geschil zich toespitst op het met terugwerkende kracht toepassen van de korting en de daaruit voortvloeiende terugvordering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op goede gronden met terugwerkende kracht artikel 44 van de WAO toegepast. Voorts heeft de rechtbank in de door appellant gestelde omstandigheden geen dringende redenen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO gezien op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk kan afzien van terugvordering. Met betrekking tot het herzieningsbesluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv ten onrechte de WAO-uitkering per 1 april 2005 heeft herzien, aangezien deze herziening ingevolge artikel 2, vierde lid, van de Beleidsregels uitbetaling arbeidsongeschiktheidsuitkering bij inkomsten uit arbeid niet eerder dan per 15 april 2005 kan ingaan. De rechtbank heeft het beroep van appellant in zoverre gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat appellant op basis van de korting tot 15 april 2004 (lees: 15 april 2005) ook voor 15 tot 25% (lees: 25 tot 35%) arbeidsongeschikt moet worden geacht. Ten slotte heeft de rechtbank beslissingen gegeven inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht.

4.1. In hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen de overweging van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit en daarmee de terugvordering van het bedrag van € 3.292,12 over de periode van 15 juni 2003 tot en met 31 maart 2005 alsmede de terugvordering van het bedrag van € 102,66 in stand kunnen blijven. Appellant heeft aangevoerd dat hij het Uwv altijd tijdig heeft geïnformeerd over wijzigingen die van invloed kunnen zijn op zijn WAO-uitkering. Op basis van de door hem verstrekte gegevens heeft het Uwv bij besluit van 28 oktober 2003 de uitkering voorlopig vastgesteld naar het arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45. Aangezien zijn uitkering per 1 november 2003 is verlaagd en hij anderhalf jaar lang niets heeft vernomen op de melding van zijn inkomsten, mocht appellant erop vertrouwen dat het juiste arbeidsongeschiktheidspercentage was vastgesteld.

4.2. Ten aanzien van de terugvordering heeft appellant aangevoerd dat sprake is van dringende redenen. In dat verband heeft appellant erop gewezen dat door fouten van het Uwv de uitkering te hoog is vastgesteld en dat hij dit bij gebrek aan gegevens niet heeft kunnen verifiëren. Voorts heeft het Uwv twee jaar gewacht met de juiste vaststelling van zijn inkomsten, terwijl dit reeds na zes maanden had moeten plaatsvinden. Ten slotte heeft appellant gewezen op zijn slechte financiële situatie waardoor de terugvordering van het bedrag van € 3.292,12 onredelijk is en deze terugvordering met het oog op een juiste belangenafweging niet had mogen plaatsvinden.

5.1. De Raad stelt vast dat appellant geen beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond is verklaard. Derhalve staat het besluit van het Uwv tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering over de maand april 2005 ten bedrage van € 102,66 in rechte vast.

5.2.1. Ten aanzien van het besluit van het Uwv om met toepassing van artikel 44 van de WAO appellants uitkering met ingang van 15 juni 2003 uit te betalen naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% overweegt de Raad als volgt. Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de Raad staat vast, dat het inkomen van appellant vanaf 15 juni 2003 leidt tot indeling in de - fictieve - arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.

In het aanvullend beroepschrift erkent appellant, hetgeen hij ter zitting van de Raad heeft bevestigd, dat hij zich realiseerde dat zijn inkomsten uit zijn dienstverband met [naam werkgever] vanaf 15 juni 2003 zouden leiden tot een verlaging van zijn WAO-uitkering. Derhalve wist appellant, althans had hij redelijkerwijs behoren te weten dat hij ernstig rekening diende te houden met de mogelijkheid dat over de periode vanaf 15 juni 2003 de anticumulatiebepaling van artikel 44 van de WAO zou worden toegepast. Daarbij is niet van belang of appellant had kunnen beseffen dat de toepassing van die bepaling zou leiden tot een uitbetaling van zijn uitkering naar klasse 25 tot 35%.

5.2.2. Ten aanzien van de periode vanaf 1 november 2003 overweegt de Raad dat appellant bij het besluit van 28 oktober 2003, waarbij op basis van een voorlopige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 1 november 2003 bij wijze van voorschot een uitkering naar de klasse van 35 tot 45% werd betaald, ervan in kennis is gesteld dat een onderzoek zal plaatsvinden naar de mate van arbeidsongeschiktheid en dat hij daarover een beslissing krijgt zodra dat onderzoek is afgerond. Daarbij is appellant gewezen op de mogelijkheid dat het onderzoek kan leiden tot de conclusie dat hij geen recht heeft op een uitkering of op een lagere uitkering en dat het teveel betaalde zal worden teruggevorderd. Onder deze omstandigheden mocht appellant er naar het oordeel van de Raad niet van uitgaan dat de bij wijze van voorschot betaalde uitkering was berekend naar de juiste mate van arbeidsongeschiktheid. Daarvan kon appellant pas uitgaan na ontvangst van de aangekondigde beslissing na afronding van het onderzoek. De omstandigheid dat het Uwv weinig voortvarend te werk is gegaan en appellant pas na de ontvangst van het besluit van 14 april 2005 (besluit 1) daarover duidelijkheid heeft verkregen, kan daaraan niet afdoen.

5.2.3. De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat de toepassing van artikel 44 van de WAO over de gehele periode vanaf 15 juni 2003 de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

5.3.1. Ingevolge artikel 57, eerste lid, van de WAO wordt hetgeen onverschuldigd is betaald van de belanghebbende teruggevorderd. Het vierde lid van artikel 57 bepaalt dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Blijkens de wetsgeschiedenis kunnen dringende redenen zoals bedoeld in artikel 57 van de WAO slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor betrokkene als gevolg van de terugvordering optreden. Er moet iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn wil een afwijking van de hoofdregel gerechtvaardigd zijn.

5.3.2. De Raad heeft in zijn uitspraak van 14 oktober 2005 (LJN: AU5090) overwogen dat de vraag of van de zijde van het Uwv een fout is gemaakt en of de betrokkene redelijkerwijs kon begrijpen dat te veel uitkering werd betaald in het kader van het beroep op een dringende reden om van terugvordering af te zien als niet relevant terzijde dient te worden gesteld. Ook de omstandigheid dat het Uwv eerst na geruime tijd onder toepassing van artikel 44 van de WAO tot anticumulatie van de inkomsten is overgegaan, leidend tot indeling in de - fictieve - arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%, kan niet leiden tot een dringende reden als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO.

5.3.3. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de onderhavige terugvordering voor appellant leidt tot onaanvaardbare financiële en/of sociale consequenties. De omstandigheid dat appellant, zoals aangevoerd ter zitting van de rechtbank, per maand beschikt over een inkomen van € 1.200,- netto per maand, kan op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat de terugvordering voor hem onaanvaardbare financiële consequenties heeft.

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en

J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008.

(get.) Ch. van Voorst

(get.) E.M. de Bree.

RB