Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5401

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
08/2451 WWB-VV, 07/5969 WWB, 07/5970 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Intrekking en verlaging bijstandsuitkering. Overschrijding vermogensgrens. Waarde van bezittingen vaststellen op waarde in economisch verkeer bij vrije oplevering. Koopsom uitgangspunt voor waardebepaling?

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 214
USZ 2008/254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2451 WWB-VV

07/5969 WWB

07/5970 WWB

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraken van de rechtbank Middelburg van 14 september 2007, 07/24 en 07/25 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst (hierna: het College)

Datum uitspraak: 24 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. R.W. van Voorst Vader, advocaat te Terneuzen, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Mr. Van Voorst Vader heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het College heeft in beide zaken verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2008. Voor verzoeker is verschenen mr. Van Voorst Vader. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.M.M. van Duyse, werkzaam bij de gemeente Hulst.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaken en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaken.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker heeft over de periode van 16 november 1999 tot 1 maart 2006 een bijstandsuitkering ontvangen, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 18 april 2006 is de bijstand met ingang van 1 maart 2006 voor de duur van 1 maand verlaagd met 5% op de grond dat verzoeker zich niet heeft gehouden aan de op hem rustende inlichtingenverplichting. Bij besluit van 13 december 2006 heeft het College het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 18 april 2006 ongegrond verklaard.

Voorts heeft het College bij besluit van 3 mei 2006 de bijstand met ingang van 1 maart 2006 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat verzoeker de beschikking had gekregen over vermogen boven de toepasselijke vermogensgrens dat aan verdere bijstandsverlening in de weg stond. Bij besluit van 7 december 2006 is het bezwaar tegen het besluit van 3 mei 2006 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak met reg.nr. 07/25 (hierna: aangevallen uitspraak I) heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 december 2006 inzake de intrekking ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar deze uitspraak heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak met reg. nr. 07/24 (hierna: aangevallen uitspraak II) het beroep tegen het besluit van 13 december 2006 inzake de verlaging van de bijstand niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoeker heeft zich gemotiveerd tegen de beide aangevallen uitspraken gekeerd.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking van de bijstand (aangevallen uitspraak I)

De beoordeling van de intrekking door de bestuursrechter strekt zich in dit geval uit over de periode van 1 maart 2006 tot en met 3 mei 2006 (datum van het primaire intrekkingsbesluit).

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het besluit tot intrekking van de bijstand een belastend besluit vormt, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de bewijslast met betrekking tot het standpunt dat verzoeker over vermogen boven de vermogensgrens beschikt in beginsel op het College rust.

In artikel 34 WWB en volgende is neergelegd wat onder vermogen wordt verstaan en welke vermogensbestanddelen, die bij de aanvang van de bijstandsverlening aanwezig zijn dan wel tijdens de bijstandsverlening worden ontvangen, als vermogen in aanmerking worden genomen. Het gaat hier om de waarde van de bezittingen die wordt vastgesteld op de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering.

De voorzieningenrechter leidt uit de gedingstukken af dat verzoeker op 20 oktober 2005 een koopovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot een woonhuis met erf en tuin aan de [adres]. De koopprijs bedroeg € 10.000,-- kosten koper. Voorafgaande aan de overeenkomst heeft verzoeker op 7 september 2005 een taxatierapport op laten maken door T. Kemp, beëdigd taxateur van het Taxatie-en adviesbureau Compiet en Kemp te Terneuzen. Op 20 februari 2006 heeft verzoeker aan de notaris het voor de aankoop verschuldigde totaalbedrag van € 11.214,51 inclusief kosten en belasting geleend van [de W.] en dit bedrag betaald aan de notaris. Vervolgens heeft diezelfde dag de levering van de onroerende zaak plaatsgevonden.

Het College heeft zich bij zijn besluitvorming gebaseerd op een in het kader van de Wet onroerende zaken (WOZ) bepaalde waarde van de onroerende zaak van € 38.042,--. Uitgaande van deze waarde en rekening houdend met het per 1 december 2005 vastgestelde saldo van de overige positieve en negatieve vermogensbestandddelen ad € 13.034,-- en met genoemde schuld aan [de W.] van € 11.214,51, heeft het College aangenomen dat verzoeker ten tijde hier van belang beschikte over vermogen dat de voor hem van toepassing zijnde vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van de WWB (destijds € 5.105,--) te boven ging.

Verzoeker heeft in bezwaar, beroep en in hoger beroep betwist dat het College per 1 maart 2006 mocht afgaan op de waarde van de onroerende zaak zoals die in het kader van de WOZ was vastgesteld op € 38.042,-- en daarbij verwezen naar het al genoemde taxatierapport van 7 september 2005 en naar latere taxatierapporten van 21 juli 2006 en 27 maart 2007.

Anders dan de rechtbank is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grond om aan te nemen dat de onroerende zaak bij verkoop en overdracht aan een derde op 1 maart 2006 de door het College veronderstelde waarde zou opbrengen. Indien, zoals in dit geval, kort voor de ingangsdatum van de intrekking van de bijstand, de eigendom van een onroerende zaak vrij van huur en elk ander gebruiksrecht, geheel ontruimd is geleverd aan de belanghebbende, zal de koopsom uitgangspunt moeten zijn voor de waardebepaling, tenzij er duidelijke en overtuigende aanwijzingen zijn dat die koopsom niet (meer) in overeenstemming is met de werkelijke waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering. Daarvan is de voorzieningenrechter uit de gedingstukken niet gebleken. De omstandigheid dat de WOZ-waarde blijkens een door het College overgelegd taxatieverslag op een aanzienlijke hogere waarde was bepaald, is in dit verband niet toereikend, reeds omdat dit verslag als waardepeildatum 1 januari 2003 vermeldt. Voorts neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het woonhuis sedert juli 2004 niet meer bewoond was, blijkens het taxatierapport van 7 september 2005 in slechte staat verkeerde en na langdurige leegstand is verkocht door de erven van de laatste bewoner. Uitgaande van een waarde van de onroerende zaak van € 10.000,-- kan, mede gelet op de overige omtrent het vermogen van appellant beschikbare gegevens, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet staande worden gehouden dat ten tijde hier van belang de grens van het vrij te laten vermogen was overschreden. Dit betekent dat het besluit van 7 december 2006 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak I moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzieningenrechter het beroep tegen het besluit van 7 december 2006 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 3 mei 2006 te herroepen, aangezien deze op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag als het besluit van 7 december 2006 berust en niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

Verlaging van de bijstand over de maand maart 2006 (aangevallen uitspraak II)

De rechtbank heeft met betrekking tot de niet-ontvankelijk verklaring van het beroep tegen het besluit van 13 december 2006 als haar oordeel te kennen gegeven dat verzoeker geen rechtens te honoreren belang meer heeft bij een beoordeling van dat besluit, omdat naar haar oordeel het College de bijstand van verzoeker terecht met ingang van 1 maart 2006 heeft ingetrokken. De voorzieningenrechter kan de rechtbank niet in haar oordeel volgen, reeds omdat het besluit van 7 december 2006, waarbij het besluit van 3 mei 2006 tot intrekking van de uitkering per 1 maart 2006 is gehandhaafd, op dat moment nog niet onherroepelijk in rechte vaststond. Dit betekent dat het beroep van verzoeker tegen het besluit van 13 december 2006 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De aangevallen uitspraak II komt daarom voor vernietiging in aanmerking. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om de zaak met toepassing van artikel 27 van de Beroepswet, zonder terugwijzing naar de rechtbank, zelf af te doen. Met betrekking tot het beroep tegen het besluit van 13 december 2006 overweegt de voorzieningenrechter dat de gemachtigde van het College desgevraagd ter zitting heeft erkend dat de gedraging waarop de verlaging is gebaseerd verzoeker niet kan worden tegengeworpen, en dat het besluit van 13 december 2006 en het primaire besluit inzake de verlaging van de bijstand niet langer worden gehandhaafd. Een en ander betekent dat het beroep tegen het besluit van 13 december 2006 gegrond dient te worden verklaard, dat dit besluit moet worden vernietigd en dat met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 18 april 2006 moet worden herroepen.

Het verzoek om voorlopige voorziening

Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat gezien het voorstaande geen aanleiding.

Proceskosten en griffierecht

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze worden begroot op € 1.932,-- voor in beroep en hoger beroep verleende rechtsbijstand en op € 322,-- voor het indienen van het verzoekschrift. Voorts zal worden voorzien in bepalingen omtrent griffierecht.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

in de hoofdzaken:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 7 december 2006 en 13 december 2006;

Herroept de besluiten van 3 mei 2006 en van 18 april 2006;

Veroordeelt het College in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van

€ 1.932,--, te betalen door de gemeente Hulst aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Hulst aan verzoeker het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 288,-- vergoedt.

op het verzoek om voorlopige voorziening:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;

Veroordeelt het College in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de gemeente Hulst aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Hulst aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J. Bernhagen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2008.

get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.J. Bernhagen.

OA