Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5326

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
07-1797 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op bijstand niet vast te stellen. Geen juiste gegevens verstrekt omtrent woonsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1797 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 februari 2007, 06/3356 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W.G.M. Kral, advocaat te Berlicum, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2008. Appellant is in persoon verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer A.M. Jacobs, werkzaam bij de gemeente ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 9 mei 2006 heeft appellant bij het College een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd.

Appellant heeft bij zijn aanvraag opgegeven in te wonen bij kennissen op het adres te [woonplaats] alwaar hij blijkens de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) per 8 mei 2006 staat ingeschreven. Zijn verblijfadres was volgens het aanvraagformulier: “her en der”. In het kader van de aanvraag is vervolgens een onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Op 31 mei 2006 hebben medewerkers van de afdeling Arbeidsmarkt en Sociale Zaken van de gemeente

’s-Hertogenbosch (hierna: AmSZ-medewerkers) een onaangekondigd bezoek gebracht aan dat adres, waarbij alleen de hoofdbewoner, de heer [M.], is aangetroffen. Deze legde een verklaring af over de inwoning van appellant. De heer [M.] verklaarde, onder meer, dat hij op verzoek van appellant er in toegestemd heeft dat appellant zich op zijn adres

[adres] liet inschrijven maar dat appellant daar niet verbleef en dat daarvoor ook geen ruimte was in zijn woning.

Bij besluit van 31 mei 2006 heeft het College de aanvraag om bijstand afgewezen.

Op 1 juni 2006 kwam een klacht binnen met betrekking tot het huisbezoek van 31 mei 2006. De op schrift gestelde klacht is ondertekend door de heer en mevrouw [M.] en appellant. Hierin is, onder andere, gesteld dat de AmSZ-medewerkers de heer [M.] de vorige dag iets hebben laten ondertekenen waarvan hij niet wist wat het was omdat het niet te lezen was en de heer [M.] nog moe was omdat hij uit de nachtdienst kwam. Appellant sliep wel degelijk op [adres], hij is er regelmatig aanwezig en heeft er spullen staan, aldus de brief met de klacht.

In het kader van de behandeling van de klacht volgde op 20 juni 2006 een gesprek met de heer en mevrouw [M.] waarvan een gespreksverslag is opgesteld. Op dezelfde dag is ook een huisbezoek afgelegd waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van

20 juni 2006. Bij dit bezoek waren aanwezig mevrouw [M.] en appellant.

Bij besluit van 11 juli 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 31 mei 2006 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant geen juiste gegevens heeft verstrekt over zijn woonsituatie waardoor zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 31 mei 2006 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

De door de Raad te beoordelen periode strekt zich uit van 9 mei 2006 tot en met de datum van het primaire besluit (31 mei 2006).

De vraag waar iemand woont dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verschaffen, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand.

De Raad is van oordeel dat er in dit geval een toereikende grondslag bestaat voor het standpunt van het College dat appellant niet de juiste inlichtingen heeft verstrekt over zijn feitelijke woonsituatie. Daarbij kent de Raad zwaarwegende betekenis toe aan hetgeen de heer [M.] op 31 mei 2006 ten aanzien van appellant heeft verklaard. Daaruit kan niet anders worden afgeleid dan dat appellant ten tijde van belang, ondanks de voorhanden GBA-inschrijving, feitelijk niet inwonend was op het adres [adres] te

[woonplaats] . De Raad acht in dat verband tevens van betekenis dat appellant kennelijk aan de familie [M.] geen huur heeft betaald.

De Raad is verder, evenals de rechtbank, van oordeel dat niet is gebleken dat de verklaring van 31 mei 2006 inhoudelijk onjuist was. Hierbij tekent de Raad aan dat de verklaring aan de heer [M.] is voorgelezen alvorens hij deze ondertekende. Uit de schriftelijke klacht van 1 juni 2006 volgt bovendien niet dat de op 31 mei 2006 afgelegde verklaring een onjuiste weergave was van hetgeen de heer [M.] ten overstaan van de AmSZ-medewerkers heeft meegedeeld. Gelet op het vorenstaande ziet de Raad geen aanleiding de heer [M.] niet te houden aan zijn op 31 mei 2006 afgelegde verklaring waarin hij te kennen heeft gegeven dat appellant niet verbleef op het adres [adres].

De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de bevindingen tijdens het huisbezoek op 20 juni 2006, zijnde zes weken na de aanvraag, zoals vastgelegd in het “rapport van bevindingen” van 20 juni 2006, geen zodanig ander licht op de zaak werpen dat moet worden geoordeeld dat het College zijn besluitvorming niet mede heeft mogen baseren op de op 31 mei 2006 afgelegde verklaring van de heer [M.].

Gelet op het vorenstaande stelt de Raad zich dan ook achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak op grond waarvan is geoordeeld dat als gevolg van een onjuiste opgave van het woonadres het recht op bijstand van appellant ten tijde van belang niet kon worden vastgesteld.

Hetgeen namens appellant in hoger beroep nog met betrekking tot de ochtenddufheid van de heer [M.] is aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

OA