Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5300

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
07-3533 AW + 07-6474 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tenuitvoerlegging voorwaardelijk strafontslag. Bij nader besluit ontslag wegens ongeschiktheid. Plichtsverzuim aangetoond aan de hand van concrete gedragingen? In samenhang met confictueuze werksituatie voldoende grond voor ontslag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3533 AW + 07/6474 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 mei 2007, 06/3534 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 5 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 13 november 2007 een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat te ’s-Hertogenbosch, bijgestaan door mr. H.T.A. Aalders, werkzaam bij de gemeente Eindhoven. Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. R.G.A.M. Theunissen, advocaat te Eindhoven.

De zaken zijn gevoegd behandeld met zaak 07/3532. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst. Thans wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als heffingsambtenaar bij het bureau [naam bureau] van de afdeling [naam afdeling] van de gemeente Eindhoven. Bij besluit van 20 december 2004, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 mei 2005, is haar met toepassing van de artikelen 86 en 87, eerste lid, aanhef en onder j, van de Algemene Rechtstoestandverordening van de gemeente Eindhoven (ARV) de disciplinaire straf opgelegd van voorwaardelijk ontslag, met een proeftijd van twee jaar. Betrokkene heeft geen beroep ingesteld, zodat dit voorwaardelijk ontslag in rechte is komen vast te staan.

1.2. Op 6 juni 2005 heeft betrokkene zich telefonisch ziek gemeld. Toen het hoofd van haar afdeling haar vervolgens belde, heeft zij geweigerd hem inhoudelijk te woord te staan.

1.3. Op 29 juni 2005 heeft betrokkene ’s ochtends bij aankomst op kantoor nagelaten in te klokken. Om 17.09 uur heeft zij uitgeklokt. Op 1 juli 2005 heeft zij een mutatieformulier tijdregistratie ingeleverd, waarop is aangegeven dat zij op 29 juni 2005 heeft vergeten in te klokken en dat dit om 8.30 uur had moeten gebeuren. Uit de geautomatiseerde registratie van het gebruik van de toegangspassen (badge-registratie) is echter gebleken dat zij pas kort na 9.00 uur is binnengekomen. Haar leidinggevende G heeft haar eerst rond 9.30 op de afdeling waargenomen.

1.4. In de middag van 29 juni 2005 zou betrokkene, volgens verklaringen van haar leidinggevende G en haar kamergenoten H en K, rond 15.15 uur haar werkplek hebben verlaten en daar die dag niet meer zijn teruggekeerd.

1.5. Ter zake van de onder 1.2, 1.3 en 1.4 omschreven gedragingen heeft appellant bij besluit van 25 juli 2005, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 26 juni 2006, het voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer gelegd.

1.6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank achtte onvoldoende gemotiveerd dat sprake is geweest van plichtsverzuim dat tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag rechtvaardigt.

1.7. Bij het in rubriek I genoemde nieuwe besluit van 13 november 2007 heeft appellant, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, het ontslag gehandhaafd met wijziging van de ontslaggrond in ongeschiktheid van betrokkene voor haar betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Dit besluit wordt met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het geding betrokken.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Ter zitting is gebleken dat appellant het gebeurde op 6 juni 2005 niet heeft willen aanmerken als een zelfstandige en dragende grond voor de tenuitvoerlegging van het strafontslag. Hetgeen met betrekking tot dit incident naar voren is gekomen, rechtvaardigt naar het oordeel van de Raad ook niet de kwalificatie als plichtsverzuim. Daarbij is van belang dat betrokkene nog dezelfde middag voor een spoedcontrole bij de bedrijfsarts is verschenen, dat haar ziekmelding toen door de bedrijfsarts is aanvaard en dat zij pas per 13 juni 2005 hersteld is verklaard. Daarvan uitgaande acht de Raad aannemelijk dat betrokkene, naar zij heeft gesteld, die ochtend onder zware hoofdpijnen leed. Toen haar afdelingshoofd haar belde, had zij over haar gezondheidstoestand reeds een telefoongesprek gevoerd met haar leidinggevende G, bij wie zij zich ziek had gemeld. Onder deze omstandigheden kan betrokkene niet kwalijk worden genomen dat zij heeft geweigerd op dat moment met haar afdelingshoofd in discussie te gaan over wat er aan de hand was en over haar ziekteverzuim in de afgelopen jaren. Dat dit met enige grimmig-heid zal zijn gebeurd en dat betrokkene in de proeftijd van het voorwaardelijk ontslag liep, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant - naar de gedingstukken laten zien - bij het begeleiden van het ziekteverzuim de grenzen heeft opgezocht van hetgeen toelaatbaar is met het oog op de medische privacy van betrokkene en de vertrouwelijkheid van haar relatie met de bedrijfsarts en haar therapeute.

2.2. Hetgeen is voorgevallen met betrekking tot het ’s ochtends niet inklokken op 29 juni 2005 en de poging van betrokkene om dit te corrigeren, levert naar het oordeel van de Raad evenmin strafwaardig plichtsverzuim op. Betrokkene heeft onweersproken gesteld dat zij zelf om een uitdraai van de badge-registratie heeft verzocht, omdat zij, naar zij zei, ervan overtuigd was dat zij reeds om 8.30 uur was binnengekomen. Pas uit deze uitdraai bleek haar dat zij in werkelijkheid om 9.01 uur het kantoor moet hebben betreden. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat betrokkene variabele werktijden mocht hanteren, kan zeker niet worden uitgesloten dat zij zich een half uur heeft vergist toen zij twee dagen later op het mutatieformulier 8.30 uur invulde. Dat haar leidinggevende G haar pas rond 9.30 uur heeft gezien leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij is mede van belang dat betrokkene die ochtend een gesprek over haar functioneren te wachten stond waar zij erg tegenop zag. Haar verklaring dat zij daarvan maagpijn had en wellicht wat langer dan gebruikelijk op het toilet heeft doorgebracht, kan de Raad - mede in het licht van hetgeen naar voren is gekomen omtrent de verhoudingen binnen het bureau - niet onaannemelijk achten.

2.3. Met betrekking tot de vraag of betrokkene - na nog een tweede onaangenaam gesprek over haar functioneren te hebben gehad - in de middag van 29 juni 2008 van 15.15 tot 17.09 uur ongeoorloofd van haar werkplek afwezig is geweest, volgt de Raad in grote lijnen de overwegingen van de rechtbank. Tegenover de verklaringen van G, H en K - die er in onderling verband op neerkomen dat betrokkene rond 15.15 uur haar tas heeft gepakt, heeft geroepen “Ik ben weg” en die middag niet meer op kantoor is gezien - staan de verklaringen van betrokkene en haar collega C, inhoudende dat C betrokkene nog omstreeks 16.00 uur op haar kamer heeft bezocht, dat zij daar met betrokkene heeft besproken hoe het tweede gesprek was verlopen en dat H toen nog aan deze discussie heeft deelgenomen. Ook de Raad ziet geen aanleiding om aan de verklaringen van betrokkene en C minder gewicht toe te kennen dan aan die van G, H en K.

2.3.1. De Raad overweegt daartoe in de eerste plaats dat de verklaring van C consistent en gedetailleerd is en door C met kracht van overtuiging is gehandhaafd. De verklaring van C is ook niet in strijd met de eigen verklaring van betrokkene dat zij die middag opnieuw langer dan normaal op het toilet heeft verbleven omdat zij zich niet lekker voelde. Er is in de gedingstukken onvoldoende grondslag te vinden voor de stelling van appellant dat betrokkene heeft beweerd dat zij (nagenoeg) de gehele periode tussen 15.15 en 17.09 uur op het toilet heeft doorgebracht. De stukken en het verhandelde ter zitting maken genoegzaam duidelijk dat betrokkene heeft willen aangeven dat zij, naast het gesprek met C, ook werkzaamheden heeft verricht in andere ruimten en dat zij zich enige tijd in het keukentje heeft opgehouden om wat op verhaal te komen. Nu betrokkene, wier positie toch al onder druk stond, die dag twee emotioneel belastende gesprekken had moeten voeren, kan de Raad er geen plichtsverzuim in zien dat zij zich in die laatste twee uren tot deze activiteiten heeft beperkt.

2.3.2. De verklaringen van de leidinggevende G roepen daarentegen op wezenlijke punten vragen op. Zo kon zij vanuit haar werkkamer de kamer van betrokkene niet zien. Dat zij betrokkene niet heeft zien langslopen, sluit niet uit dat dit toch wel is gebeurd of dat betrokkene een andere route door het gebouw heeft gevolgd. Ook is niet duidelijk geworden waarom G, hoewel haar door H zou zijn verteld dat betrokkene op de hiervóór aangegeven wijze was vertrokken, toch aanleiding heeft gezien om - zoals zij heeft verklaard - nog enkele malen op de kamer van betrokkene poolshoogte te gaan nemen.

2.3.3. Aan de verklaringen van H en K kan evenmin doorslaggevende betekenis worden toegekend, reeds omdat deze - zoals ook de rechtbank heeft overwogen - niet kunnen worden geacht in voldoende onbevangenheid tot stand te zijn gekomen. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant C wegens het afleggen van haar andersluidende verklaring disciplinair heeft gestraft met overplaatsing. Met deze bestraffing van C heeft appellant de schijn op zich geladen de vaststelling van de materiële waarheid in het nadeel van betrokkene te hebben willen beïnvloeden. In het geval van C is immers geenszins aangetoond dat zij in strijd met de waarheid heeft verklaard. De Raad verwijst naar hetgeen is overwogen in zijn uitspraak van 5 juni 2008, 07/3532, in het geschil tussen appellant en C. Gelet hierop is de bestraffing van C een maatregel met een onmiskenbaar intimiderende uitstraling naar andere medewerkers, waarvan appellant zich in het belang van de waarheidsvinding had behoren te onthouden. Hieraan doet niet af dat het voornemen om C te bestraffen pas bekend is gemaakt daags nadat H en K hun verklaringen op schrift hadden bevestigd. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, moet het ervoor worden gehouden dat dit voornemen zijn schaduw vooruit heeft geworpen en dat H en K daardoor niet onberoerd zijn gebleven. De verklaringen van H en K dateren voorts van januari 2006, een datum waarop zeer de vraag is of zij het gebeurde zich nog precies konden herinneren.

2.4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat geen plichtsverzuim is komen vast te staan waaraan appellant de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag kon ontlenen. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Bij het nieuwe besluit op bezwaar van 13 november 2007 heeft appellant de ontslaggrond gewijzigd in ongeschiktheid voor de functie anders dan wegens ziekten of gebreken.

3.1. Volgens vaste jurisprudentie moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

3.2. De Raad stelt vast dat appellant zijn standpunt dat betrokkene ongeschikt is voor haar functie in hoofdzaak heeft doen steunen op het feitencomplex dat ten grondslag is gelegd aan het voorwaardelijk strafontslag en op de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de tenuitvoerlegging daarvan. Het eerstbedoelde feitencomplex kan echter, nu het reeds bij het voorwaardelijk ontslag in aanmerking is genomen, in redelijkheid niet meer zelfstandig dienen als grond voor een ongeschiktheidsontslag. De laatstbedoelde feiten en omstandigheden zijn, blijkens hetgeen hiervóór is overwogen, niet komen vast te staan of leveren geen verwijtbare tekortkoming op.

3.3. Hetgeen appellant verder heeft aangevoerd met betrekking tot het gedrag van betrokkene sedert het opleggen van het voorwaardelijk strafontslag is, mede bezien tegen de achtergrond van de kennelijk conflictueuze werksituatie, niet zodanig concreet gemaakt dat daaruit een blijk van ongeschiktheid kan worden afgeleid.

3.4. Derhalve is geen sprake van ongeschiktheid waaraan appellant de bevoegdheid tot ontslag zou kunnen ontlenen. Het nieuwe besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.

4. Nu appellant het besluit tot tenuitvoerlegging van het strafontslag niet opnieuw heeft gehandhaafd en ook de gewijzigde ontslaggrond geen stand houdt, ziet de Raad aanleiding om alsnog met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het primaire besluit van 25 juli 2005 te herroepen.

5. De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 805,- aan kosten wegens aan betrokkene in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep dat moet worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 13 november 2007 gegrond en vernietigt dit besluit;

Herroept het primaire besluit van 25 juli 2005;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 805,-, te betalen door de gemeente Eindhoven;

Bepaalt dat van de gemeente Eindhoven een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en O.J.D.M.L. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2008.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD