Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5298

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
06/5694 AW, 06/6092 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering betrokkene te herplaatsen op een van de vacante functies. Is er nog procesbelang, nu betrokkene reeds gebruik maakt van FPU regeling?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5694 AW, 06/6092 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

het College van bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam, (hierna: college),

en

[Betrokkene],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2006, 05/5545 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het college

Datum uitspraak: 12 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene en het college hebben hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2008. Betrokkene is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.J.M. Cartigny, advocaat te Rotterdam, alsmede door H.M. van der Wilk en

mr. M.H. Carp, beiden werkzaam bij de Erasmus Universiteit Rotterdam (hierna: EUR).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene, die is geboren in 1945, is sinds 1970 werkzaam als wetenschappelijk medewerker bij de Faculteit der Economische Wetenschappen (hierna: FEW) van de EUR. In december 2000 is betrokkene benoemd tot wetenschappelijk hoofddocent bij de [naam capaciteitsgroep]. Betrokkene was belast met het geven van weten-schappelijk onderwijs, laatstelijk met het verzorgen van hoor- en practicumcolleges Macro-economie in de bachelorfase.

1.2. In april 2004 heeft de FEW het strategisch plan 2004-2008: “Winnen door Kiezen” uitgebracht waarin de doelstelling van de FEW voor de middellange termijn is geschetst. Tevens is de formele melding tot reorganisatie van de FEW gedaan. In die melding zijn de beoogde organisatieveranderingen voor de FEW uiteengezet.

1.3. Bij brief van 20 september 2004 is aan betrokkene bericht dat op grond van de in het conceptformatieplan gemaakte keuzes wordt voorzien dat zijn functie wordt opgeheven. Meegedeeld is dat voor betrokkene een ontslagbeschermingstermijn geldt van

20 maanden. Betrokkene is aangewezen als herplaatsingskandidaat en wordt in eerste instantie in beschouwing genomen voor de binnen de FEW vacante functies. Bij de beoordeling of betrokkene in aanmerking komt voor een van deze vacatures wordt de decaan geadviseerd door een Plaatsingsadviescommissie (hierna: PLAC), die bij haar advisering rekening zal houden met het herplaatsingsprotocol EUR. Betrokkene is uitgenodigd om zijn belangstelling voor een of meer van de vacante functies kenbaar te maken, voorzien van een motivering en met vermelding van de relevante kwalificaties. Tevens is betrokkene in de gelegenheid gesteld kenbaar te maken of hij gebruik wil maken van een van de andere maatregelen uit het Sociaal Statuut.

1.4. Na een gesprek met betrokkene op 19 oktober 2004 heeft de PLAC op 22 november 2004 geadviseerd betrokkene niet te plaatsen en de mogelijkheden voor het treffen van een seniorenregeling te onderzoeken; naar het oordeel van de PLAC voldoet betrokkene niet aan de functievereisten die worden gesteld aan de functies van zijn voorkeur, omdat hij niet voldoet aan de vereisten op het gebied van onderzoek en ook geen blijk heeft gegeven van onderzoeksambitie.

1.5. Bij besluit van 25 januari 2005 heeft het college aan betrokkene meegedeeld dat zijn functie is opgeheven, dat er binnen de FEW geen andere functie voor hem is gevonden en dat hij is aangewezen als universitair herplaatsingskandidaat. Aan betrokkene is opnieuw gevraagd of hij belangstelling heeft voor een FPU-arrangement, dan wel gebruik wil maken van één van de andere regelingen uit het Sociaal Plan. Aangegeven is voorts dat zijn leidinggevende bepaalt wanneer het besluit tot opheffing van zijn functie feitelijk wordt geëffectueerd en dat nadere afspraken zullen worden gemaakt over welke werk-zaamheden hij kan verrichten gedurende de - tot 8 juni 2006 lopende - ontslagbescher-mingstermijn dan wel het moment van FPU of vertrek anderszins. Daarbij is opgemerkt dat reorganisatieontslag pas mogelijk is na toetsing door de landelijke commissie van de VSNU.

1.6. Bij brief van 2 februari 2005 heeft betrokkene te kennen gegeven dat hij wellicht gebruik wil maken van een FPU-arrangement, dan wel één van de regelingen uit het Sociaal Plan.

Bij brief van 22 februari 2005 heeft betrokkene bezwaar gemaakt tegen het besluit van

25 januari 2005. Met overneming van het advies van de Adviescommissie voor de Bezwaarschriften heeft het college het bezwaar van betrokkene bij besluit van 7 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Betrokkene heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Aan het slot van zijn beroepschrift heeft betrokkene meegedeeld dat hij met ingang van 1 december 2005 gebruik maakt van een FPU-regeling. Als reden hiervoor heeft hij aangegeven dat hij verwacht dat er pas op een datum gelegen na afloop van de ontslagbeschermingstermijn uitspraak wordt gedaan op zijn beroep.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe allereerst overwogen dat het procesbelang bij een beoordeling van het bestreden besluit niet verloren is gegaan door het feit dat betrokkene met ingang van 1 december 2005 gebruik heeft gemaakt van een FPU-regeling. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit tot reorganisatie op correcte en zakelijke motieven berust en dat het college het advies van de PLAC om betrokkene na de opheffing van zijn functie niet te plaatsen op een van de vacante functies in de nieuwe organisatie, heeft kunnen volgen.

4. Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de reorganisatie op correcte en zakelijke gronden berust en dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten betrokkene niet te plaatsen op één van de vacante functies in de nieuwe organisatie van de FEW.

Het college heeft hoger beroep ingesteld voor zover de rechtbank procesbelang aanwezig heeft geacht.

5. Gezien de aard van de door het college aangevoerde grief zal de Raad die als eerste bespreken. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

5.1. De Raad is van oordeel dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat betrokkene nog procesbelang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit. In lijn met zijn uitspraak van 10 januari 2008, LJN BC2293, overweegt de Raad dat het belang van betrokkene bij de beoordeling van dit besluit niet verloren is gegaan, ook al is het FPU-ontslag inmiddels rechtens onaantastbaar. Voor de Raad staat vast dat betrokkene zijn werkzaamheden graag had willen voortzetten en dat hij zijn verzoek om FPU-ontslag onder druk van de omstandigheden heeft ingediend. Betrokkene kon de uitslag van de onderhavige procedure niet afwachten omdat 1 december 2005 de uiterste datum was waarop hij nog gebruik kon maken van het FPU-arrangement. Als betrokkene niet herplaatst kon worden gaf hij begrijpelijkerwijs de voorkeur aan FPU-ontslag boven reorganisatieontslag met alle daaraan verbonden rechtsgevolgen. De Raad is van oordeel dat indien het besluit tot opheffing van zijn functie in rechte geen stand zou houden, of wanneer geoordeeld zou worden dat betrokkene ten onrechte niet is geplaatst op een van de vacante functies, er sprake is van een nieuw feit met verwijzing waarnaar betrokkene het college zou kunnen verzoeken om terug te komen van het ontslagbesluit. Dat betrokkene dan als externe kandidaat zou moeten solliciteren naar een functie onderschrijft de Raad niet. Dat een volledig redresseren van het FPU-arrangement, mede door de gedane koopsomstorting ten behoeve van de voortzetting van de pensioenopbouw geen sinecure is, is onvoldoende grond om betrokkene procesbelang te ontzeggen. Het hoger beroep van het college slaagt daarom niet.

6. Met betrekking tot de grieven van betrokkene overweegt de Raad dat hij het standpunt dat de reorganisatie van de FEW niet op correcte en zakelijke motieven zou berusten, niet kan volgen. Met de reorganisatie wordt beoogd de faculteit weer terug te brengen aan de internationale top. Aan de reorganisatie is gedegen onderzoek voorafgegaan naar de factoren die ertoe hebben geleid dat die vroegere internationale toppositie onder druk is komen te staan en er is een onderbouwde keuze gemaakt om te focussen op weten-schappelijk onderzoek als middel om dit tij te keren. Dat aan de reorganisatie andere dan zakelijke motieven ten grondslag hebben gelegen is de Raad niet kunnen blijken. De kanttekeningen die betrokkene heeft geplaatst bij de door het college mede aangevoerde financiële noodzaak voor de reorganisatie zijn door het college gemotiveerd weersproken en doen aan het oordeel van de Raad niet af.

6.1. De Raad onderschrijft eveneens het oordeel van de rechtbank over het besluit om betrokkene in navolging van het advies van de PLAC niet te plaatsen op een van de functies van zijn voorkeur vanwege gebrek aan recente onderzoekservaring en gebrek aan onderzoeksambitie. De Raad stelt vast dat betrokkene niet betwist dat hij sinds zijn promotie in 1994 geen wetenschappelijk onderzoek meer heeft verricht. Ook heeft hij sindsdien - buiten enkele artikelen die zijn voortgekomen uit zijn proefschrift - feitelijk niet meer regelmatig op hoog wetenschappelijk niveau gepubliceerd. Betrokkene heeft in 1995 de keuze voor het geven van onderwijs gemaakt. Uit het verslag van het gesprek met de PLAC blijkt dat betrokkene - die wist dat in de functieprofielen in de nieuwe organisatie het accent kwam te liggen bij het doen van onderzoek - op dat moment nog niet had nagedacht over eventuele onderwerpen voor wetenschappelijk onderzoek op de vakgebieden waarvoor hij had geopteerd. Dat het college in navolging van de PLAC hieruit heeft geconcludeerd dat betrokkene niet voldoet aan de vereisten voor de vacante functies in de nieuwe organisatie, kan de Raad volgen.

6.2. De Raad kan betrokkene evenmin volgen in zijn standpunt dat het college niet zou hebben onderzocht of betrokkene anderszins binnen de nieuwe organisatie kan worden herplaatst. Ook de overige vacante functies binnen de nieuwe organisatie waren immers functies waarin sprake was/moest zijn van een sterke verwevenheid van onderwijs en onderzoek, ten aanzien van welke laatstgenoemde component de PLAC nu juist had geadviseerd dat betrokkene daarvoor niet aan de vereisten voldeed. Dat voor een van die functies op het terrein van Macro-economie niet onmiddellijk een all round geschikte kandidaat voorhanden was, betekent niet dat het college in strijd met de bij de reorganisatie expliciet ingeslagen koers betrokkene toch had moeten herplaatsen en had moeten belasten met (uitsluitend) onderwijstaken op het terrein van Macro-economie. Voorts onderschrijft de Raad het standpunt van het college dat verder onderzoek naar herplaatsingsmogelijkheden is doorkruist door de onderhandelingen over en het verzoek om FPU-ontslag, waardoor ook niet meer aan de orde is gekomen of betrokkene nog tijdelijk met onderwijstaken op enig vakgebied kon worden belast.

6.3. Het college heeft tot slot voor de Raad voldoende aannemelijk gemaakt dat de situatie bij het vak Fiscale Economie vanwege de bijzonder krappe arbeidsmarkt voor fiscaal economen het noodzakelijk maakte om bijzondere voorzieningen - het inhuren van fiscaal-economen via een BV-constructie - te treffen. Het gelijkheidsbeginsel dwingt er dan ook niet toe om ook betrokkene een zogenoemde BV-constructie aan te bieden.

7. Uit het vorenstaande volgt dat ook het hoger beroep van betrokkene niet kan slagen.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van de Erasmus Universiteit Rotterdam een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD