Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5297

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
06/6772 WWB en 06/6773 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting? Doorlopende autohandel? Op geld waardeerbare werkzaamheden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 191
ABkort 2008/273
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6772 WWB en 06/6773 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante), wonende te Arnhem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 oktober 2006, 06/850 en 06/851 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2008. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Roethof. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.T.F.A. de Boer, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen vanaf 1 februari 1983 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van een heronderzoek waaruit bleek dat appellant het kenteken van een Jeep Grand Cherokee met een waarde van tussen de € 24.000 en € 31.000 op zijn naam had staan, heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Arnhem een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 december 2004. Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het College bij besluit van 12 januari 2005 de bijstand van appellanten met ingang van 1 januari 2005 beëindigd (lees: ingetrokken). Tevens heeft het College aanleiding gezien om bij besluit van 21 april 2005 de bijstand van appellanten over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 september 2004 te herzien (lees: in te trekken) en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 113.537,99 van hen terug te vorderen.

Bij besluiten van 20 december 2005 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 12 januari 2004 en 21 april 2005 ongegrond verklaard met dien verstande dat het College de ingangsdatum van de beëindiging (lees: intrekking) van de bijstand heeft gewijzigd van 1 januari 2005 in 1 oktober 2004. Aan deze besluiten heeft het College ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door aan het College geen mededeling te doen van werkzaamheden die appellant heeft verricht in de autohandel. Omdat appellanten geen boekhouding van de activiteiten van appellant hadden bijgehouden, is volgens het College sprake van oncontroleerbare inkomsten waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante voor zover dat betrekking heeft op het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 september 2004 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van appellant tegen datzelfde besluit heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Het beroep van appellanten tegen het besluit tot intrekking van de bijstand per 1 oktober 2004 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 september 2004

Het hoger beroep van appellante

Met de rechtbank stelt de Raad vast dat namens appellante geen bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 21 april 2005. De stelling van appellante dat het tegen het besluit van 12 januari 2005 gemaakte bezwaar als bezwaar tegen het besluit van 21 april 2005 moet worden aangemerkt, kan de Raad niet volgen. Nu ook niet is gebleken van de aanwezigheid van feiten of omstandigheden in verband waarmee aan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt, heeft de rechtbank het beroep van appellante terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het hoger beroep van appellant

De Raad dient de vraag te beantwoorden of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het besluit van 20 december 2005 in stand heeft gelaten.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de onderzoeksbevindingen van de Afdeling Bijzonder Onderzoek een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat over de gehele in geding zijnde periode sprake is geweest van (doorlopende) handel in auto’s. Evenals de rechtbank kent de Raad belangrijke betekenis toe aan het grote aantal auto’s dat appellant, blijkens het in het rapport van 16 december 2004 opgenomen schema, in de hier in geding zijnde periode - doorgaans gelijktijdig en gedurende korte perioden - op zijn naam had staan en heeft verzekerd. Niet is gesteld of gebleken dat dit schema onjuistheden bevat. Daarnaast komt uit de eigen verklaring van appellant naar voren dat hij “van alles in de autohandel voor anderen regelde”. Deze verklaring vindt bovendien steun in de verklaringen van het merendeel van de getuigen. Deze getuigen hebben appellant eensluidend in verband gebracht met activiteiten op het gebied van koop, verkoop en vervoer van auto’s (motoren). De in het kader van de strafzaak afgelegde verklaringen doen aan het vorenstaande geen afbreuk. De stelling van appellant dat deze activiteiten moeten worden gezien als vriendendienst, acht de Raad - gelet op de omvang van deze activiteiten en het doorlopende karakter daarvan - niet geloofwaardig. Deze activiteiten moeten dan ook worden aangemerkt als op geld waardeerbare werkzaamheden, waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat zij van invloed konden zijn op (de omvang van) zijn recht op bijstand. Door van die activiteiten geen melding te doen, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

Voorts is gebleken dat appellant van zijn activiteiten in de autohandel en de daaruit ontvangen inkomsten geen administratie of boekhouding heeft bijgehouden. Dat brengt met zich dat het recht op bijstand over de hier in geding zijnde periode niet kan worden vastgesteld. Het College was dan ook bevoegd de bijstand over deze periode met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. Het College heeft in overeenstemming met zijn, door de Raad niet onredelijk geachte, beleid tot intrekking van bijstand besloten. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College met overeenkomstige toepassing artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien.

Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat in dit geval is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was om over te gaan tot terugvordering van de over de in geding zijnde periode gemaakte kosten van bijstand. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met zijn, door de Raad niet onredelijke geachte, beleid terzake van terugvordering. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van de beleidsregels had moeten afwijken.

Het door appellant gedane beroep op verjaring treft geen doel, reeds niet omdat ten tijde van het (primaire) besluit van 21 april 2005 nog geen vijf jaar waren verstreken sinds het College bekend was geworden met gegevens waaruit kon worden afgeleid dat ten behoeve van appellant wellicht ten onrechte bijstand was verstrekt. De stelling dat het College in 1999 reeds op de hoogte was van de autohandel van appellant kan de Raad niet volgen, nu uit rapportages blijkt dat hier slechts sprake was van een vermoeden van autohandel dat vanwege het ontbreken van voldoende gegevens destijds niet in toereikende mate kon worden bewezen. Dat appellant zich op grote schaal bezig hield met de handel in auto’s is pas later tijdens het bovenvermelde onderzoek boven water gekomen.

Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. De enkele omstandigheid dat in het door appellant genoemde geval eveneens sprake was van meerdere op naam gestelde auto’s, betekent niet zonder meer dat hier sprake is van vergelijkbare gevallen.

Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen van appellanten niet slagen.

De intrekking met ingang van 1 oktober 2004

De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of de rechtbank het beroep van appellanten tegen de intrekking van de bijstand met ingang van 1 oktober 2004 terecht ongegrond heeft verklaard.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat niet is gebleken dat de situatie van appellant gedurende de periode van 1 oktober 2004 tot en met 12 januari 2005 wezenlijk anders was dan in de daaraan voorafgaande periode (van 1 juli 1997 tot en met 30 september 2004).

Het College was dan ook bevoegd de bijstand over deze periode met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB per 1 oktober 2004 in te trekken. Het College heeft in overeenstemming met zijn, door de Raad niet onredelijk geachte, beleid tot intrekking van bijstand besloten. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College met (overeenkomstige) toepassing artikel 4:84 (slot) van de Awb geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien.

Nu uit het vorenstaande voortvloeit dat het hoger beroep van appellanten ook op dit onderdeel niet slaagt, komt de aangevallen uitspraak - voorzover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th. C. van Sloten als voorzitter en J.M.A. van der

Kolk-Severijns en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2008.

(get.) Th. C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

OA