Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5296

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
07-1671 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Samenwoning? Feitelijke situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1671 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2007, 06/495 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Op 23 april 2008 heeft mr. D.C. Lala, advocaat te Amsterdam, een aanvullend beroepschrift ingediend.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lala. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 27 juli 2005 heeft appellant zich gemeld bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) teneinde bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Appellant heeft tijdens het intakegesprek verklaard dat hij samenwoont met mevrouw

[F.] (verder: [F.]), hetgeen eveneens staat vermeld op het door appellant op 29 augustus 2005 ondertekende formulier persoongegevens.

Op 6 september 2005 geeft appellant tijdens een gesprek bij het CWI vervolgens aan dat hij [F.] al maanden niet heeft gezien en dat zij niet meer op het adres van appellant woont.

Naar aanleiding van de aanvraag van appellant heeft het College nader onderzoek laten doen naar de woon- en leefsituatie van appellant en [F.]. In dat kader heeft op 20 september 2005 een huisbezoek op het adres [adres 1] te [woonplaats] plaatsgevonden waarbij appellant en [F.] aanwezig waren. Appellant heeft daarbij verklaard dat hij samen met zijn vrouw en kind woonachtig is in de woning. Appellant en [F.] staan beiden ingeschreven op voornoemd adres in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA). Op het in het kader van de aanvraag ingevulde inlichtingenformulier partner van 27 september 2005 heeft [F.] aangegeven inkomsten uit arbeid te ontvangen.

Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft het College de aanvraag om bijstand van appellant afgewezen.

Bij besluit van 1 december 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2005 ongegrond verklaard. Het College heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt door appellant dat [F.] niet meer woonachtig is op het adres van appellant. Omdat niet bestreden wordt dat [F.] inkomsten boven de bijstandsnorm voor een gezin ontvangt is de aanvraag om bijstand volgens het College terecht afgewezen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

1 december 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 27 juli 2005 tot en met 13 oktober 2005.

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat op grond van de onderzoeksbevindingen, waaronder de resultaten van het op 20 september 2005 verrichte huisbezoek aan het adres van appellant, voldoende is gebleken dat appellant en [F.] ten tijde van belang samenwoonden op het adres van appellant. Daarbij is naar het oordeel van de Raad van belang dat appellant en [F.] tezamen bijstand hebben aangevraagd en in dit kader verscheidene malen hebben verklaard samen te wonen in de woning van appellant. De verklaring dat appellant en [F.] samenwoonden in de woning van appellant wordt tevens ondersteund door de tijdens het huisbezoek aangetroffen feitelijke situatie. Volgens het verslag van dat bezoek waren zowel appellant als [F.] in de woning aanwezig. De Raad gaat voorbij aan de betwisting door appellant van de aanwezigheid van [F.] tijdens het huisbezoek, nu [F.] zich tijdens het huisbezoek tegenover de onderzoeksambtenaren met een verblijfsdocument heeft geïdentificeerd. Daarbij acht de Raad van belang dat appellant eerst ter zitting bij de Raad heeft gesteld dat [F.] tijdens het huisbezoek niet aanwezig was.

De enkele verklaring van appellant op 6 september 2005 dat hij [F.] al maanden niet heeft gezien en dat zij niet meer woonachtig is op zijn adres kan, gelet op vorenstaande bevindingen, naar het oordeel van de Raad niet leiden tot een andersluidende conclusie ten aanzien van de woonsituatie van appellant ten tijde van belang.

Nu op grond van de voorhanden onderzoeksresultaten voor de hier te beoordelen periode kan worden vastgesteld dat appellant en [F.] samenwoonden in de woning van appellant en niet in geschil is dat [F.] in die periode inkomsten uit arbeid had boven de geldende bijstandsnorm, is de aanvraag om bijstand van appellant ook naar het oordeel van de Raad terecht afgewezen.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) P.C. de Wit.

OA