Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5294

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
06-6171 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Beperkingen onderschat?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6171 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 september 2006, 06/626 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Polat-Kiliç, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2008.

Appellante is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Polat-Kiliç. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.K. Pouwelse.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als medewerkster tuinbouw (inpakster aubergines) voor 38 uur per week, ontving sinds 20 oktober 2003 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit die situatie heeft zij zich, kort na een eerdere ziekteperiode, op 1 april 2005 ziek gemeld met psychische- en (rug)pijnklachten.

1.2. Op 7 juli 2005 is appellante gezien door verzekeringsarts T. Boorsma. Deze verzekeringsarts heeft informatie verkregen van behandelend psychiater in opleiding (i.o.) A.G.J. Koelman van 10 augustus 2005. Hieruit komt naar voren dat sprake is van een matig depressief beeld, waarvoor een kortdurende behandeling plaatsvindt.

Op 23 augustus 2005 en 19 oktober 2005 is appellante gezien door de arts K.W.J.E. Kastelijn. Deze arts heeft op laatstgenoemde datum geconstateerd dat appellante weliswaar vermoeid is, maar kan lezen en zelfstandig zorgt voor het huishouden met drie kinderen, en dat geen sprake is van grote afwijkingen bij lichamelijk onderzoek. Op basis hiervan heeft hij geconcludeerd dat geen sprake is van objectiveerbare beperkingen en appellante met ingang van 24 oktober 2005 hersteld verklaard voor haar eigen arbeid van medewerkster tuinbouw. Bij besluit van 26 oktober 2005 is appellante met ingang van 24 oktober 2005 [lees: 25 oktober 2005] een (verdere) uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd.

1.3. In het kader van de bezwaarprocedure is appellante niet op het spreekuur verschenen van bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn. Deze verzekeringsarts heeft vervolgens op grond van dossieronderzoek, waaronder de informatie van psychiater i.o. Koelman, geconstateerd dat sprake is van stemmingsklachten en chronische aspecifieke lage rugpijn en geconcludeerd dat het primaire medische oordeel geheel kan worden gehandhaafd. Bij het bestreden besluit van 4 januari 2006 is het bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar lichamelijke beperkingen zijn onderschat. Ter ondersteuning van dit standpunt is informatie ingebracht van huisarts R. Suliman van 26 januari 2007. Hieruit blijkt dat appellante verschillende keren op de pijnpoli is behandeld door middel van facetdenervatie, echter zonder het gewenste resultaat. Verder is, onder verwijzing naar een indicatiebesluit voor huishoudelijke verzorging van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) van 7 maart 2006, betwist dat appellante in staat was zelfstandig het huishouden (met drie kinderen) te doen. Voorts heeft appellante aangevoerd dat haar psychische beperkingen zijn onderschat. In dit kader is betoogd dat appellante van april 2005 tot medio oktober 2006 onder behandeling is geweest voor haar psychische klachten en dat zij hiervoor medicatie heeft gekregen die veel bijwerkingen gaf. Ter ondersteuning van dit standpunt is informatie ingebracht van psycholoog Touwen van 24 oktober 2006. In reactie hierop heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 30 maart 2007 aangegeven zijn standpunt te handhaven.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.2. Op grond van vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ongeschiktheid in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van zijn arbeid. Onder ‘zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk.

4.3. De Raad ziet in de door appellante ingebrachte medische informatie onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen. In dit kader heeft de Raad overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot de informatie van huisarts Suliman en psycholoog Touwen in zijn rapport van 30 maart 2007 voldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom deze informatie hem geen aanleiding geeft tot wijziging van zijn standpunt. De Raad wijst er op dat deze informatie geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten bevat. Met betrekking tot de (rug)pijnklachten voegt de Raad hieraan toe dat de primaire arts Kastelijn deze klachten heeft onderzocht en daarbij rekening heeft gehouden met het feit dat appellante voor deze klachten de pijnpoli bezocht en injecties kreeg. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 30 maart 2007 aangegeven dat, gezien het aspecifieke karakter van de klachten (en het niet reageren op behandeling, hetgeen volgens hem hierbij aansluit) volgens de ‘richtlijn aspecifieke lage rugpijn’ juist een actieve benadering wordt voorgestaan. Hierbij tekent de Raad nog aan dat hem niet is gebleken dat bij appellante ten tijde hier in geding sprake was van een door ziekte of gebrek veroorzaakt ernstig pijnsyndroom als bedoeld in de jurisprudentie van de Raad (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 7 maart 1986, LJN: AK7143). Met betrekking tot de psychische klachten wijst de Raad nog op het feit dat de primaire arts Kastelijn bekend was met de tweewekelijkse behandeling van deze klachten door psycholoog Touwen en dat, blijkens de medische kaart van de verzekeringsarts van

19 oktober 2005, appellante op de datum in geding (nog) geen medicatie voor deze klachten gebruikte, zodat van mogelijke bijwerkingen (nog) geen sprake kon zijn. Ten aanzien van het indicatiebesluit van het CIZ merkt de Raad tot slot op dat de criteria die door deze instelling worden gehanteerd niet vergelijkbaar zijn met die welke gelden in het kader van een beoordeling van arbeidsgeschiktheid ingevolge de ZW.

4.4. Gelet op het onder 4.1 tot en met 4.3 overwogene heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante met ingang 25 oktober 2005 niet (langer) ongeschikt was voor haar werk. Hieruit volgt dat appellante terecht een (verdere) uitkering ingevolge de ZW is geweigerd.

4.5. De Raad komt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2008.

(get.) J.F. Bandinga.

(get.) J. Verrips.

GdJ