Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5291

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
07-158 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Ongerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht. Hetgeen bij het huisbezoek aan het licht is gekomen dient als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing te worden gelaten.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 212
BA 2008/185
USZ 2008/251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/158 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 december 2006, 05/9555 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.K. Bhadai, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bhadai. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

E. Kuipers, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving met ingang van 19 april 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op 24 maart 2005 heeft een telefonisch onderhoud plaatsgevonden tussen appellant en een medewerker van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten (Dienst SZW) van de gemeente Den Haag teneinde een afspraak te maken voor een heronderzoek op 4 april 2005.

Aangezien twijfels bestonden over de woonsituatie van appellant naar aanleiding van het feit dat appellant post ter zake van een aanvraag om bijzondere bijstand niet heeft ontvangen, werd hem gevraagd waar hij verblijf hield. Appellant gaf aan ‘ergens in Nederland’ te verblijven, waarna hem werd medegedeeld dat er direct een huisbezoek zou plaatsvinden.

Op het adres [adres] werd appellant vervolgens niet aangetroffen. Wel aanwezig was [naam Poolse vriend], een Poolse vriend van appellant. [Naam Poolse vriend] heeft de medewerkers van de Dienst SZW de woning laten zien en heeft een verklaring afgelegd. De bij de woning aan voornoemd adres aangetroffen buurvrouw van appellant heeft verklaard dat appellant al langer dan een jaar niet meer woonachtig is op het adres.

Bij besluit van 8 april 2005 heeft het College de bijstand van appellant beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 1 april 2005.

Op 24 april 2005 heeft appellant opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend met het oogmerk alsnog met ingang van 1 april 2005 bijstand te verkrijgen. Bij besluit van 6 juni 2005 heeft het College de aanvraag afgewezen.

Bij besluit van 17 november 2005 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van

8 april 2005 en 6 juni 2005 ongegrond verklaard. Het College stelt zich op het standpunt dat appellant niet woonachtig is op het door hem opgegeven adres. Appellant heeft de inlichtingenplicht aangaande zijn woonsituatie geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

17 november 2005 ongegrond verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking

De Raad stelt allereerst vast dat de aan appellant verleende bijstand met ingang van

1 april 2005 is ingetrokken en dat het College die intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 april 2005 tot en met

8 april 2005.

Artikel 17, eerste lid, van de WWB, bepaalt voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.

Indien de belanghebbende deze inlichtingen-/medewerkingsverplichting niet of niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB worden ingetrokken.

De Raad is van oordeel dat er, gelet op de door appellant tijdens het telefoongesprek van 24 maart 2005 verstrekte informatie, in de onderhavige situatie op zichzelf wel aanleiding bestond om nader onderzoek te verrichten naar de woonsituatie van appellant. De Raad ziet echter onvoldoende grond voor het standpunt dat er - op grond van concrete feiten en omstandigheden - zodanige twijfel bestond over de woonsituatie van appellant dat direct aansluitend aan het telefoongesprek met appellant een huisbezoek aan diens adres diende plaats te vinden. Appellant heeft bovendien tijdens het telefoongesprek aangegeven op dat moment niet in de woning aanwezig te zijn. De Raad vermag niet in te zien waarom toen niet met appellant een afspraak (op korte termijn) voor een gesprek op het kantoor van de sociale dienst en/of voor het afleggen van een huisbezoek in aanwezigheid van appellant kon worden gemaakt. Gelet op het voorgaande kan niet worden staande gehouden dat appellant ten onrechte niet heeft meegewerkt aan het in geding zijnde huisbezoek.

De Raad stelt voorts vast dat de betrokken medewerkers van de gemeente

’s-Gravenhage in de woning van appellant zijn binnengetreden zonder diens toestemming. Appellant heeft immers, zo blijkt uit een rapportage van 4 april 2005, de betrokken medewerker van de gemeente telefonisch het verrichten van een huisbezoek afgeraden, en appellant was bij het huisbezoek ook niet aanwezig. Dat de betrokken medewerkers, zoals in het verslag van het huisbezoek is vermeld, zijn binnengelaten door een in de woning verblijvende Pool, doet daaraan niet af.

Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat in dit geval sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht van appellant. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 11 april 2007, LJN BA2410, is de Raad van oordeel dat hetgeen bij het huisbezoek op 24 maart 2005 aan het licht is gekomen als onrechtmatig verkregen bewijs moet worden gekwalificeerd. Dit bewijs moet buiten beschouwing worden gelaten.

De feiten en omstandigheden die voorts aan het besluit tot intrekking van de bijstand van appellant ten grondslag hebben gelegen, bieden naar het oordeel van de Raad onvoldoende grondslag voor het standpunt dat appellant in de periode in geding onvoldoende informatie heeft verschaft aangaande zijn woonsituatie als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad is dan ook van oordeel dat het College de bijstand van appellant ten onrechte heeft ingetrokken met ingang van 1 april 2005. Het besluit van 17 november 2005 kan in zoverre geen stand houden.

De afwijzing van de aanvraag van 24 april 2005

Aan het besluit van 17 november 2005, voor zover betrekking hebbend op de afwijzing van de aanvraag om bijstand van 24 april 2005, ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2005 was ingetrokken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is dit uitgangspunt achteraf bezien onjuist. Appellant behoefde derhalve geen nieuwe aanvraag om bijstand te doen. Dit betekent dat het besluit van

17 november 2005 (ook) op dit onderdeel niet in stand kan blijven.

Slotoverwegingen

De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 17 november 2005 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 8 april 2005 en 6 juni 2005, met inachtneming van deze uitspraak.

De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 966,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand en op € 17,50 in hoger beroep voor reiskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 17 november 2005;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 2.271,50 te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) P.C. de Wit.

OA