Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
06-5701 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag, subsidiair eervol ontslag wegens onbekwaamheid. Zeer ernstig plichtsverzuim bestaande uit schending lichamelijke integriteit van arrestanten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5701 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 september 2006, 05/3967, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 12 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 mei 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y. Kuijt, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland. Betrokkene is, zoals bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1 Betrokkene was sinds 1 oktober 1996 werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland, laatst als specialist bij het [naam Team] van het voormalige [nummer district] van het korps, binnen welk team betrokkene omstreeks 2003 werd belast met de aanpak van zogenoemde Harde Kern Jongeren van 17 jaar en ouder. In dit kader nam betrokkene, in het politiebureau Meer en Vaart, ook signalementen van verdachten af, waarvan onderdeel is het invullen van het landelijk meldingsformulier (lmf).

1.2 Op 23 februari 2004 werd als verdachte van een strafbaar feit A.A.B, hierna: B, geboren in 1985, in het politiebureau Meer en Vaart verhoord. Tijdens dit verhoor verklaarde B spontaan niet te hebben begrepen waarom hij bij een verhoor in het politiebureau enige dagen eerder van betrokkene (ook) zijn onderbroek naar beneden moest doen en betrokkene naar zijn, B’s, geslachtsdeel moest kijken. Op 4 maart 2004 is B naar aanleiding van de vraagtekens die hij bij het gedrag van betrokkene had geplaatst, verhoord door twee politieambtenaren, verbonden aan het Bureau Interne Onderzoeken. Volgens het proces-verbaal van verhoor heeft B. verklaard dat hij zich van betrokkene moest uitkleden op de onderbroek na omdat betrokkene voor het invullen van een formulier moest zien of hij littekens of tatoeages had en dat betrokkene vervolgens zonder iets te vragen de band van zijn onderbroek naar beneden trok, naar zijn geslachts-delen keek en de band weer losliet; hieraan heeft B. toegevoegd dat betrokkene bij een jongen van 14 jaar hetzelfde gedrag heeft vertoond.

1.3. Hierna ingesteld onderzoek wees uit de 14 jarige jongen, over wie B. had gesproken, B.M. is, hierna: M, geboren in 1987, en dat M. op 19 april 2003 door betrokkene was verhoord. M. is op 23 maart 2004 door de zojuist bedoelde medewerkers van het Bureau Interne Onderzoeken verhoord. Het proces-verbaal van verhoor houdt als verklaring van M. in - voor zover hier van belang - dat hij in 2003, vóór de zomer, in het politiebureau Meer en Vaart door betrokkene was verhoord; betrokkene had hem toen gezegd dat hij, om te kunnen nagaan of hij, M., littekens of tatoeages had, trui en bovenbroek moest uittrekken en vervolgens ook de onderbroek; M. had dit laatste gedaan nadat hij zijn trui weer had aangetrokken zodat betrokkene zijn geslachtsdelen niet kon zien.

1.4. Op 16 juni 2004 werd betrokkene vanwege het Bureau Interne Onderzoeken verhoord. Volgens het proces-verbaal van dit verhoor heeft betrokkene erkend dat hij, toen hij voor een ander doel een penitentiaire inrichting bezocht, van de gelegenheid heeft gebruik gemaakt de daar verblijvende, hem goed bekende, F.A., hierna: A, te bezoeken en dat hij hem over diens kleding heen, volgens betrokkene als grap, bij diens geslachts-delen heeft gepakt. Later heeft A. dit voorval bevestigd.

1.5. Nadat appellant bij besluit van 22 juni 2004 betrokkene met onmiddellijke ingang buiten functie had gesteld, heeft hij op 30 september 2004 betrokkene meegedeeld het voornemen te hebben hem disciplinair te ontslaan, aangezien betrokkene zich in zijn gedrag tegenover jongeren - waarvoor onder andere werd verwezen naar de verklaringen van B., M., en A. - heeft schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Vervolgens werd betrokkene geschorst. Betrokkene heeft zich schriftelijk verantwoord.

1.6. Appellant heeft hierna bij besluit van 10 januari 2005 betrokkene wegens ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd; subsidiair is betrokkene eervol ontslagen wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

1.7. Tegen het besluit van 10 januari 2005 heeft betrokkene bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij het bestreden besluit van 1 juli 2005 ongegrond is verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen, dit met bijkomende bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft daartoe - kort samengevat - overwogen dat betrokkene zich aan de hem verweten gedraging ten opzichte van A. heeft schuldig gemaakt, maar dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de overige aan betrokkene ten laste gelegde gedragingen hebben plaatsgevonden op de wijze als waarvan appellant bij het nemen van zijn besluit is uitgegaan. Daarbij heeft de rechtbank uit een verklaring van M. het vermoeden afgeleid dat, onder anderen, M. en B. hebben samengespannen om betrokkene met hun verhalen te beschadigen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de aan betrokkene verweten gedraging jegens A. plichtsverzuim oplevert, welk plichtsverzuim echter naar aard en ernst niet zodanig is dat gezegd kan worden dat de opgelegde straf van ontslag daaraan niet onevenredig is. De rechtbank heeft ook de subsidiaire grond van het bestreden besluit niet onderschreven.

3. Appellant heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Betrokkene heeft bepleit de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad is, met appellant, van oordeel dat de wijze waarop en de omstandigheden waaronder betrokkene zich ten opzichte van A. heeft gedragen, zoals onder 1.4. is beschreven, plichtsverzuim van betrokkene oplevert dat als ernstiger dient te worden gewaardeerd dan de rechtbank heeft gedaan. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat betrokkene, die immers voor een ander doel in de betrokken penitentiaire inrichting was, zonder deugdelijke reden contact heeft gezocht met de daar als gevangene verblijvende A. Voorts heeft betrokkene met zijn gedraging ten opzichte van A. de lichamelijke integriteit van A. geschonden. Dit is voor een politieambtenaar volstrekt onbetamelijk, ook indien het zo zou zijn dat A. er niet veel aanstoot aan heeft genomen. De Raad voegt hieraan toe dat betrokkene niet heeft laten blijken dat hij voor zichzelf de ernst van de hem verweten gedraging ten opzichte van A. heeft onderkend.

4.2. Appellant heeft in hoger beroep volgehouden dat betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan verdergaand plichtsverzuim. Hiervoor heeft appellant onder andere gewezen op de gedragingen die betrokkene ten opzichte van B. en M. aan de dag heeft gelegd, zoals blijkt uit hun verklaringen. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank betwist dat wat B. en M. hebben verklaard, onvoldoende kracht van bewijs heeft.

4.3. De Raad kan appellant hierin volgen. Hierbij stelt de Raad voorop dat bij het interpreteren van de verklaringen van B. en M. niet zonder meer voorbijgegaan kan worden aan het gegeven dat B. en M., verdacht van strafbare feiten, met betrokkene als politieambtenaar te maken hebben gehad. Deze verklaringen dienen dan ook met behoed-zaamheid te worden gewaardeerd. De Raad kan echter de rechtbank niet volgen in haar redenering dat de verklaringen van B. en M. onvoldoende gewicht hebben wegens het vermoeden van een tegen betrokkene gericht samenspel. De Raad heeft in de beschikbare gegevens geen grond voor een dergelijk vermoeden kunnen vinden. B. en M. hebben geen klachten tegen betrokkene ingediend, B. toonde zich zelfs verbaasd dat hij over deze kwestie werd gehoord, de verklaringen van B. en M. zijn niet woordelijk gelijk en ook blijkt niet uit die verklaringen dat beiden het op betrokkene hadden voorzien. De Raad heeft ook overigens geen gronden gevonden voor het oordeel dat de verklaringen van B. en M. als ongeloofwaardig ter zijde geschoven zouden moeten worden. Uit beide verklaringen van B. en in de verklaring van M., zoals zij onder 1.2. en 1.3. zijn vermeld, komt naar het inzicht van de Raad met voldoende consistentie naar voren dat betrokkene de lichamelijke integriteit van B., respectievelijk M. heeft geschonden en dus in de zorg die hij als politieambtenaar voor arrestanten heeft ernstig is tekort geschoten. De Raad volgt hierbij het betoog van appellant dat het voor het invullen van het lmf in elk geval niet vereist is dat verdachten hun geslachtsdelen tonen. Dat betrokkene dit niet zou hebben geweten, acht de Raad niet voor de hand te liggen.

4.4. Gelet op wat onder 4.1. en 4.3. is overwogen, is de Raad van oordeel dat betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtverzuim, dat aan betrokkene kan worden toegerekend. De Raad acht, gezien de aard en ernst van de hiervoor vastgestelde en beoordeelde gedragingen, het bij het bestreden besluit gehandhaafde ontslagbesluit niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

5. Het bestreden besluit kan dus in rechte standhouden en het hoger beroep van appellant treft doel. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit moet ongegrond worden verklaard.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 1 juli 2005 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.G. Treffers en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD