Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5288

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
07-434 WWB + 07-435 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Plicht tot arbeidsinschakeling. Niet aanvaarden van aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid. Maatregel.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 234
RSV 2008, 243
USZ 2008/253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/434 WWB

07/435 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[A en B te C],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 december 2006, 05/2741 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.J. Michielsen, advocaat te Hoogvliet, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2008. Appellanten zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.L.W.G. van de Molengraaf, werkzaam bij de gemeente Roosendaal.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen vanaf 5 september 2003 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Vanwege het College is appellant op 4 januari 2005 meegedeeld dat hij op 10 januari 2005 kan beginnen in een betaalde baan voor een periode van zes maanden bij Accessio. Op 12 januari 2005 is appellant daadwerkelijk gestart. In verband hiermee is de bijstand bij besluit van 21 januari 2005 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellanten met ingang van 12 januari 2005 over inkomsten beschikken gelijk aan of hoger dan de voor hen geldende bijstandsnorm.

Appellanten hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben aangevoerd dat de beëindiging van de bijstand onterecht is omdat appellant kort na 12 januari 2005 niet meer bij Accessio werd toegelaten om de bedongen werkzaamheden te verrichten. Voorts is aangevoerd dat appellant zich voor de betreffende werkzaamheden ziek heeft gemeld.

Appellanten hebben zich op 24 februari 2005 gemeld voor het doen van een aanvraag om een bijstandsuitkering met ingang van 13 januari 2005. Appellant heeft bij die gelegenheid gesteld dat hij vanwege psychische redenen niet kon werken bij Accessio. Naar aanleiding hiervan heeft het College bij een re-integratiearts advies ingewonnen. Deze arts heeft appellant gezien, overleg gehad met de huisarts van appellant en vervolgens geconcludeerd dat er geen medische beperkingen zijn en dat appellant geschikt is voor de hem bij Accessio aangeboden, uitermate lichte werkzaamheden gedurende 40 uur per week. Bij brief van 9 maart 2005 is appellant meegedeeld dat hij op 14 maart 2005 bij Accessio moet verschijnen voor het vastleggen van een dienstverband voor de duur van zes maanden dat op die dag een aanvang zou nemen. Appellant is zonder bericht van verhindering niet bij Accessio verschenen.

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft het College appellanten met ingang van 24 februari 2005 weer bijstand toegekend. Daarbij is tevens besloten de bijstand gedurende een maand te verlagen met 40% op de grond dat niet naar vermogen is getracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. Wat de omvang van de maatregel betreft heeft het College overwogen dat op de bijstand van appellanten in de twaalf maanden hiervoor tot twee maal toe een verlaging is toegepast naar aanleiding van eenzelfde gedraging. Het College heeft bij dit besluit tevens vermeld dat appellant niet is verschenen op de uitnodiging om op 14 maart 2005 bij Accessio een arbeidsovereenkomst voor een dienstverband met een duur van zes maanden te ondertekenen. Het College heeft zich op grond hiervan op het standpunt gesteld dat appellant de hem aangeboden arbeid heeft geweigerd en besloten de bijstand van appellanten gedurende drie maanden te verlagen met 100%. Voorts is overwogen dat, nu in het gemeentelijk beleid is neergelegd dat indien meerdere verplichtingen niet worden nagekomen de hoogste maatregel wordt opgelegd, op de bijstand van appellanten een verlaging wordt toegepast van 100% gedurende een periode van drie maanden.

Appellanten hebben ook tegen het besluit van 22 maart 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 juni 2005 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 21 januari 2005 en 22 maart 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 juni 2005 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking van de bijstand met ingang van 12 januari 2005

Appellant is op 12 januari 2005 bij Accessio begonnen in een dienstverband met een omvang van 40 uur per week voor een periode van zes maanden. Omdat appellanten per die datum inkomsten hadden ter hoogte van ten minste de voor hen geldende bijstandsnorm heeft het College zich, gelet op artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, terecht op het standpunt gesteld dat appellanten met ingang van 12 januari 2005 geen recht meer hadden op bijstand. Nu appellanten naar aanleiding van hun aanvraag van 24 februari 2005 met ingang van die datum weer recht op bijstand is toegekend, heeft de periode waarin geen recht op bijstand bestond dan wel geen algemene bijstand werd ontvangen langer geduurd dan dertig dagen. Op grond van artikel 45, derde lid, van de WWB is de bijstand op 12 januari 2005 geëindigd en bestaat voor herleving van de bijstand met ingang van 17 januari 2005, zoals appellanten stellen, geen grond. Dat appellant wegens ziekte niet (langer) in staat zou zijn de overeengekomen werkzaamheden bij Accessio te verrichten - voor welke stelling de Raad in de voorhanden medische rapporten overigens geen aanknopingspunten heeft gevonden - is in dat verband niet van belang. Het enkele feit dat de bijstand gedurende een periode van meer dan 30 dagen onderbroken is geweest, staat aan herleving van het recht op bijstand met ingang van 17 januari 2005 in de weg.

Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB het recht op bijstand met ingang van 12 januari 2005 in te trekken. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De verlaging van de bijstand met 100% gedurende drie maanden

In artikel 9, eerste lid, van de WWB is, voor zover hier van belang is, bepaald dat de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar verplicht is naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden.

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB stemt het College de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, verlaagt het college van burgemeester en wethouders de bijstand overeenkomstig de door de gemeenteraad vastgestelde verordening - in dit geval de Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2004 (hierna : Afstemmingsverordening) - indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Onbetwist is dat appellant, na daartoe te zijn uitgenodigd, op 14 maart 2005 niet bij Accessio is verschenen op een afspraak om een arbeidsovereenkomst te ondertekenen. Voorts staat vast dat hij op die dag met de betreffende werkzaamheden kon beginnen. Daarmee is gegeven dat appellant hem aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft aanvaard.

Appellant stelt zich op het standpunt dat hij de betreffende werkzaamheden niet kon verrichten als gevolg van zijn psychische klachten. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat voor deze stelling in de voorhanden zijnde stukken geen aanknopingspunt is te vinden. De Raad verwijst in dit verband naar een advies van de GGD van 6 februari 2004 waarin is geconcludeerd dat appellant arbeidsgeschikt is en geen medische beperkingen heeft. Appellant is in maart 2005 door een arts van REANED onderzocht. Uit het advies van deze arts blijkt dat appellant geschikt wordt bevonden voor het werk dat hem bij Accessio is aangeboden. Aangegeven wordt dat de pertinente weigering van appellant om zijn medewerking te verlenen aan het werktraject bij Accessio niet op redelijke gronden is gebaseerd. Het betreffende werk wordt als uitermate licht gekenschetst, er is geen enkele vorm van druk en er is een goede begeleiding. Ten slotte is appellant op verzoek van de rechtbank nog onderzocht door de psychiater

A.R. Hertroijs. Deze deskundige komt in zijn rapport van 22 april 2006 tot de conclusie dat appellant op 1 januari 2005 weliswaar beperkt was in zijn functioneren, maar dat hij in staat was een baan te vervullen als waarvan bij Accessio sprake was. Op grond hiervan ziet de Raad geen grond om aan te nemen dat het niet aanvaarden van de arbeid bij Accessio op 14 maart 2005 appellant niet zou kunnen worden verweten. Gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB was het College dan ook gehouden de bijstand van appellanten te verlagen.

In artikel 10 van de Afstemmingsverordening wordt de gedraging "Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of gesubsidieerde arbeid" onderscheiden in categorieën. Als gedraging van de vijfde categorie wordt aangeduid het niet aanvaarden of het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of gesubsidieerde arbeid voor een periode van zes maanden of langer of onbepaalde tijd.

In artikel 11 van de Afstemmingsverordening wordt de omvang van de verlaging nader bepaald. Bij een gedraging van de vijfde categorie hoort een verlaging van 100% gedurende drie maanden. In het geval van recidive, dat wil zeggen een tweede of volgende verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie binnen twaalf maanden, bedraagt de verlaging 100% gedurende een periode van zes maanden.

Artikel 8 van de Afstemmingsverordening schrijft voor - samengevat weergegeven - dat indien sprake is van samenloop van gedragingen voor het bepalen van de hoogte en de duur van de maatregel wordt uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel is gesteld.

De Raad stelt vast dat de Afstemmingsverordening geen bepaling bevat op grond waarvan het College - afhankelijk van de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele of persoonlijke omstandigheden van de betrokkene - kan afwijken van de standaard toe te passen verlaging. Gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 18 van de WWB, waarin de nadruk is gelegd op onder meer het zogeheten individualiseringsbeginsel in die wet (zie Kamerstukken II, 2002-2003, 28 870, nr. 3, blz. 5 onder 3.1.1. en blz. 47 en 48) komt de Raad - anders dan wellicht uit de uitspraak van 11 maart 2008, LJN BC7309, kan worden begrepen - tot het oordeel dat in artikel 18, eerste lid, van de WWB, gelezen in samenhang met het tweede lid van dit artikel besloten ligt dat bij het vaststellen van de verlaging rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, de mate van verwijtbaarheid en de ernst van de gedraging bij het niet nakomen van opgelegde verplichtingen.

De Raad stelt vast dat reeds in maart 2004 en in december 2004 verlagingen op de bijstand zijn toegepast in verband met het niet in voldoende mate trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. Begin 2005 is wederom sprake geweest van onvoldoende sollicitaties. Door het niet aanvaarden van de hem aangeboden arbeid in maart 2005 is derhalve sprake van recidive in de zin van de Afstemmingsverordening. Het College was in beginsel dan ook bevoegd tot het opleggen van een verlaging van 100% voor de duur van zes maanden. Voorts blijkt uit de stukken dat appellant in december 2004 heeft geweigerd een activeringstrajectplan te ondertekenen. De Raad stelt ten slotte vast dat -zoals hierboven is overwogen - geen grond bestaat voor de stelling van appellant dat hij wegens ziekte moest stoppen met het in januari 2005 eveneens voor de duur van zes maanden aangevangen dienstverband. Dit geheel overziende is de Raad van oordeel dat appellant bij voortduring te kort is geschoten in het nakomen van de op grond van artikel 9, eerste lid, van de WWB aan zijn bijstand verbonden arbeidsverplichtingen. Gelet hierop was het College niet gehouden om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB het percentage van de verlaging lager vast te stellen of de duur van de verlaging nog verder te bekorten dan in de Afstemmingsverordening was voorgeschreven.

De Raad ziet tot slot in hetgeen is aangevoerd geen grond om te oordelen dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Afstemmingsverordening zodat het College niet bevoegd was van de verlaging van de bijstand af te zien.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

RG