Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5286

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
06-5197 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WAZ-uitkering met terugwerkende kracht. Sociaal loon? Directeur grootaandeelhouder heeft invloed op eigen loon.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5197 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 juli 2006, 05/2361 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M. Rial Calvo, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 8 april 2008, waar partijen - appellant met kennisgeving - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellant, directeur grootaandeelhouder van [naam bedrijf]., is op

24 september 2001 met hoofd- en polsklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden in zijn beddenspeciaalzaak. Appellant is door het Uwv na ommekomst van de wachttijd, met ingang van 23 september 2002, een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheids-verzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2. Bij besluit van 18 april 2005, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 2 november 2005 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv appellant meegedeeld dat diens

WAZ-uitkering wegens inkomsten uit arbeid met ingang van 1 januari 2003 niet tot uitbetaling komt.

3. De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang en samengevat weergegeven, omtrent de in geding zijnde toepassing van artikel 58 van de WAZ overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ook het door appellant als sociaal loon omschreven deel van zijn inkomsten als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 58 van de WAZ moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft in dit verband gewezen op de vaste jurisprudentie van de Raad waarin tot uitdrukking komt dat in een situatie als de onderhavige geen sprake kan zijn van sociaal loon, nu een directeur grootaandeelhouder invloed heeft op zijn eigen loon en daarmee zelf bepaalt wat zijn arbeid waard is (zie onder meer CRvB 2 februari 2005, LJN: AS5617 en CRvB

21 oktober 2005, LJN: AU5214, gepubliceerd in USZ 2005/401). Appellants andersluidende betoog heeft de rechtbank verworpen. Met betrekking tot de aan de toepassing van artikel 58 van de WAZ verbonden terugwerkende kracht heeft de rechtbank vooropgesteld het dwingendrechtelijke karakter van artikel 58 van de WAZ. Doel en strekking van dit artikel staan er naar het oordeel van de rechtbank in het algemeen niet aan in de weg dat aan de toepassing van dit artikel terugwerkende kracht wordt gegeven, waarbij in het geval van zelfstandigen voorts niet uit het oog moet worden verloren dat inkomsten uit arbeid zelfs in de regel pas achteraf kunnen worden vastgesteld. Volgens de rechtbank vindt de toepassing van evengenoemd artikel haar begrenzing in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het beginsel van de rechtszekerheid. Van strijd met dit beginsel was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, nu het aan appellant redelijkerwijs duidelijk heeft kunnen zijn dat de door hem over het jaar 2003 genoten inkomsten niet konden samengaan met zijn

WAZ-uitkering, zodat hij ernstig rekening ermee heeft moeten houden dat zijn uitkering met terugwerkende kracht zou worden aangepast. De rechtbank achtte met name van belang de omvang van de door appellant in 2003 genoten inkomsten.

4. Appellant houdt in hoger beroep staande dat een groot deel van zijn inkomsten over 2003 niet moet worden gezien als tegenprestatie voor verrichte arbeid, maar als loon dat uit sociale overwegingen aan hem is betaald, zodat zijn inkomsten in zoverre door het Uwv ten onrechte in aanmerking zijn genomen bij de toepassing van artikel 58 van de WAZ. Appellant benadrukt daarbij dat hij geen invloed kan uitoefenen op (de omvang van) zijn loon. De door hem gedreven onderneming, [naam bedrijf], kent twee eigenaren en appellant kan, naar hij stelt, zijn loon niet zonder toestemming van de mede-eigenaar vaststellen dan wel wijzigen. Namens appellant is voorts gewezen op een door het Uwv ten aanzien van hem in bezwaar genomen besluit van 7 juli 2006, waarbij het Uwv appellant – over het tijdvak 2004 – wél is gevolgd in de door hem ontvouwde, hiervoor weergegeven, zienswijze. Appellant meent ten slotte dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het beginsel van de rechtszekerheid in de weg staan aan de onderhavige besluitvorming.

5.1. Ter beoordeling staat of de Raad de rechtbank kan volgen in haar in de aangevallen uitspraak neergelegd oordeel, voor zover in hoger beroep in geschil.

5.2. Niet in geschil is en ook voor de Raad staat vast dat appellant na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid in betekenende mate werkzaam is gebleven in het eigen bedrijf; in 2003 is appellant daarin nog gedurende ongeveer 20 uur per week werkzaam geweest in de administratie en verkoop.

5.3. Uit de aan het besluit van 18 april 2005 ten grondslag liggende arbeidskundige rapportage van 11 april 2005 blijkt dat het Uwv bij de onderhavige besluitvorming is uitgegaan van de door appellant door middel van een op 20 oktober 2004 gedateerd aangifteformulier tegenover de fiscus verantwoorde inkomsten. Deze inkomsten bestonden blijkens evengenoemd aangifteformulier onder meer uit door [naam bedrijf] aan appellant uitgekeerd salaris ter hoogte van € 33.436,-. In bezwaar heeft appellant doen aanvoeren dat hij bedoeld formulier onjuist heeft ingevuld. Volgens appellant had er, voor zover thans van belang, een splitsing moeten worden gemaakt tussen een op arbeid berustend deel van zijn inkomen en een deel dat niet op arbeid berust, loon dat hij als ‘sociale aanvulling’ zou hebben ontvangen. Ter ondersteuning van zijn stellingen heeft appellant verwezen naar een afschrift van een op 13 juli 2005 gedateerd (gewijzigd) aangifteformulier.

5.4. De Raad is evenwel van oordeel dat aan de aanvankelijk door appellant tegenover de fiscus verstrekte gegevens uit een oogpunt van daaraan toe te kennen bewijskracht een grotere waarde moet worden toegekend dan aan de door appellant op een later tijdstip daarop aangebrachte wijzigingen. De Raad heeft daarbij laten wegen dat appellant er niet in is geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat van hetgeen aan hem is betaald een aanzienlijk deel louter op sociale overwegingen zou berusten. Voorts herinnert de Raad aan zijn te dezen - door de rechtbank terecht weergegeven - geldende vaste rechtspraak dat voor iemand in de positie van appellant een zogenaamd sociaal loon in beginsel inkomsten uit arbeid vormt in de zin van artikel 58 van de WAZ. De Raad heeft geen aanknopingspunt gevonden daarop in het geval van appellant een uitzondering aanwezig te achten.

5.5. De Raad onderkent met de rechtbank dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het beginsel van de rechtszekerheid, er aan in de weg kunnen staan dat een korting als de onderhavige met terugwerkende kracht wordt toegepast. In dit geval bestaat daar echter geen aanleiding voor. De Raad kan niet tot een ander oordeel komen dan dat waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen.

5.6. Wat betreft het beroep van appellant op de beslissing op bezwaar van 7 juli 2006 merkt de Raad op dat hij zich kan vinden in de beschouwingen van het Uwv dienaangaande in het verweerschrift. Het Uwv heeft daarin uiteengezet dat evengenoemde beslissing op onjuiste gronden is genomen, zodat geen aanleiding bestaat deze onjuiste beslissing ook gevolgen te laten hebben voor het jaar 2003. Ook de Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het Uwv gehouden was om in weerwil van de (dwingendrechtelijke) wettelijke bepalingen af te zien van het opleggen van een korting. De Raad ziet met name geen grond voor het oordeel dat onder de gegeven omstandigheden regels van ongeschreven recht dienen te prevaleren boven een strikte toepassing van de wettelijke bepalingen.

5.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2008.

(get.) H. Bolt

(get.) M.D.F. de Moor

TM