Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
07-3532 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk strafontslag en overplaatsing. Plichtsverzuim is niet komen vast te staan. Disciplinaire grondslag van besluit vervalt. Betrokkene blijft in nieuwe functie als ware het een reguliere overplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3532 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 mei 2007, 06/3712 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 5 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat te ’s-Hertogenbosch, bijgestaan door mr. H.T.A. Aalders, werkzaam bij de gemeente Eindhoven. Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. R.G.A.M. Theunissen, advocaat te Eindhoven.

De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 07/3533 en 07/6474. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst. Thans wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam bij het bureau [naam bureau] van de afdeling [naam afdeling] van de gemeente Eindhoven. Op 9 augustus 2005 heeft zij een schriftelijke verklaring afgelegd over gebeurtenissen op 29 juni 2005 die er mede toe hebben geleid dat een eerder aan haar collega V verleend voorwaardelijk strafontslag bij besluit van 25 juli 2005 ten uitvoer is gelegd. Met deze verklaring ondersteunde betrokkene de lezing van V. Geconfronteerd met andersluidende verklaringen van de leidinggevende G en van haar collega’s H en K, heeft betrokkene op 4 januari 2006 verklaard bij haar verklaring van 9 augustus 2005 te blijven, hetgeen zij nog eens schriftelijk heeft bevestigd.

1.2. Wegens het afleggen van deze verklaring - die door appellant als onwaar is aangemerkt - heeft appellant betrokkene bij besluit van 24 januari 2006, verzonden op 25 januari 2006 en na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 19 juli 2006, met toepassing van de artikelen 86 en 87, eerste lid, aanhef en onder i, van de Algemene Rechtstoestandverordening van de gemeente Eindhoven (ARV) de disciplinaire straf opgelegd van verplaatsing naar een andere dienst, te weten de dienst WZI.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit van 24 januari 2006 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op haar uitspraak van dezelfde datum in de zaak van de ontslagen collega V, onvoldoende vast staat dat de verklaring van betrokkene niet op waarheid berust.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. In de zaak van betrokkenes collega V gaat het, voor zover hier van belang, om de vraag of V in de middag van 29 juni 2005 van 15.15 tot 17.09 uur ongeoorloofd van haar werkplek afwezig is geweest. Tegenover de verklaringen van betrokkene en haar collega V - inhoudende dat betrokkene V nog omstreeks 16.00 uur op haar kamer heeft bezocht, dat zij daar met V heeft besproken hoe een gesprek over het functioneren van V was verlopen en dat H toen nog aan deze discussie heeft deelgenomen - staan de verklaringen van G, H en K, die er in onderling verband op neerkomen dat V rond

15.15 uur haar tas heeft gepakt, heeft geroepen “Ik ben weg” en die middag niet meer op kantoor is gezien.

2.2. Het door een ambtenaar in strijd met de waarheid afleggen van een verklaring kan onder omstandigheden plichtsverzuim opleveren en als zodanig disciplinair worden bestraft. In het geval van betrokkene is echter geenszins aangetoond dat zij in strijd met de waarheid heeft verklaard, laat staan dat dit met enige vorm van opzet is geschied. Het enkele feit dat haar verklaring niet spoort met die van anderen is daarvoor bepaald

onvoldoende. De verklaring van betrokkene is consistent en gedetailleerd en is door haar met kracht van overtuiging gehandhaafd. Dat betrokkene in conflictsituaties op het werk de zijde van V placht te kiezen leidt - wat er overigens van zij - niet tot een ander oordeel.

2.3. Het vorenstaande betekent dat geen plichtsverzuim is komen vast te staan waaraan appellant de bevoegdheid tot disciplinaire bestraffing kon ontlenen. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat zij het in haar nieuwe functie erg naar haar zin heeft en dat zij niet naar haar oude functie wil terugkeren. Zij wenst alleen de smet van de disciplinaire bestraffing ongedaan gemaakt te zien. De Raad vindt hierin aanleiding om - ter voorkoming van verdere verwikkelingen - met toepassing van artikel 8:72, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alsnog de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten wat betreft de overplaatsing als zodanig en de herroeping van het primaire besluit van 24 januari 2006 te beperken tot de disciplinaire grondslag van dit besluit. Betrokkene blijft hierdoor in haar nieuwe functie als ware het een reguliere overplaatsing.

3. De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan betrokkene in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten wat betreft de overplaatsing en dat het primaire besluit van 24 januari 2006 alleen wat betreft de disciplinaire grondslag wordt herroepen;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de gemeente Eindhoven;

Bepaalt dat van de gemeente Eindhoven een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en O.J.D.M.L. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2008.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD