Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5281

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
06-5613 WAZ en 07-517 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering. Nader besluit. Nieuw geduide functies passend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5613 WAZ en 07/517 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2006, 06/431 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. Brouwer-Morren, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Tevens heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar van 9 oktober 2006 ingezonden alsmede de daarop betrekking hebbende onderliggende stukken. Bij brief van 20 februari 2007 heeft het Uwv een aanvullend verweerschrift ingezonden en een rapportage van 14 februari 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige E.F. Couvreur.

Bij brief van 25 april 2008 heeft mr. Brouwer-Morren aanvullende gronden ingediend. Hierop is namens het Uwv gereageerd bij brief van 29 april 2008 en door middel van een rapportage van 29 april 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige B. Evegaars met bijlagen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer-Morren. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als kermisexploitant toen hij in mei 2004 uitviel met rug-, arm-, knie- en elleboogklachten.

1.2. Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 17 mei 2005 met ingang van 29 december 2004 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) geweigerd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 december 2005 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht. Wat betreft de medische grondslag is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek zoals verricht door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid die aan een dergelijk onderzoek moeten worden gesteld en dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd. Voor wat betreft het arbeidskundige aspect is de rechtbank van oordeel dat geen der geselecteerde functies voor appellant passend is te achten omdat niet is voldaan aan het vereiste opleidingsniveau.

3. Tegen het oordeel van de rechtbank over de medische onderbouwing van bestreden besluit 1 is in hoger beroep aangevoerd dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met de bestaande beperkingen als gevolg van klachten aan onder meer rug, ellebogen, knieën en verhoogde bloeddruk. Op grond van deze klachten zijn de beperkingen van appellant te gering ingeschat.

4.1. Bij het - ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen - besluit van 9 oktober 2006 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard. Blijkens het aan het bestreden besluit 2 ten grondslag gelegde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige E.F. Couvreur van 9 oktober 2006 heeft bij bestreden besluit 2 een schatting plaatsgevonden waarbij functies zijn geduid op het laagst mogelijke opleidingsniveau 1. Couvreur heeft tevens de signaleringen gemotiveerd. Het resultaat van deze nieuwe functieselectie is andermaal vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant van minder dan 15%.

4.2. De Raad stelt vast dat bestreden besluit 2 niet tegemoet komt aan het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt het beroep tegen bestreden besluit 1 dan ook geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2 en om die reden dan ook in het kader van de beoordeling van het hoger beroep van appellant betrokken.

5.1.1. Wat betreft het door appellant in hoger beroep aangevochten oordeel van de rechtbank omtrent de medische grondslag van bestreden besluit 1 ziet de Raad geen aanleiding daarover een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad is, net als de rechtbank, van oordeel dat de beperkingen van appellant door een zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. De verzekeringsarts die op 15 maart 2005 het primaire medische onderzoek heeft verricht, heeft appellant beperkt geacht ten aanzien van met name rugklachten en elleboogklachten. De Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) bevat beperkingen in verband met trillingsbelasting, reiken, buigen, tillen, zitten, staan en gebogen of getordeerd actief zijn. Bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink heeft appellant op 2 november 2005 onderzocht en appellant op een aantal onderdelen meer beperkt geacht dan de verzekeringsarts. De Vink heeft op basis van zijn onderzoek een nieuwe FML opgesteld. Van aanknopingspunten in objectief-medische zin op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellant ten tijde van de datum in geding meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen, is de Raad - evenals de rechtbank - niet gebleken. Gelet op een en ander heeft de rechtbank terecht de medische onderbouwing van bestreden besluit 1 onderschreven.

5.1.2. Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5.2.1. Wat betreft het mede tegen bestreden besluit 2 gericht geachte beroep overweegt de Raad als volgt. De grieven die zijn aangevoerd zijn gericht tegen de nieuw geduide functies. Tevens heeft appellant aangevoerd dat van een onjuiste maatman is uitgegaan. Ten slotte heeft appellant verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

5.2.2. De Raad stelt vast dat de schatting thans berust op de functies productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), bezorger kranten, tijdschriften (sbc-code 111230) en sorteerder, controleur (sbc-code 111340). De Raad is, in aanmerking genomen de nadere motivering in het in 5.1. vermelde rapport van Couvreur van de belasting in deze functies in het licht van de voor appellant aangenomen beperkingen, van oordeel dat deze functies voor appellant geschikt moeten worden geacht.

5.2.3. Met betrekking tot de grief over de omvang van de maatman wijst de Raad op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige B. Evegaars van 29 april 2008, waarin is berekend dat, ook als wordt uitgegaan van een maatman van 50 uur per week, er geen sprake is van een verlies van verdienvermogen op de datum in geding. Nu appellant voorts eerst ter zitting zonder nadere motivering en documentering heeft aangegeven dat van een onjuist maatmaninkomen is uitgegaan - volgens appellant zou hij meer hebben ontvangen dan de boekhouder heeft genoteerd - is de Raad van oordeel dat deze grief in strijd is met een goede procesorde. De Raad zal deze grief daarom buiten bespreking laten.

5.2.4. De conclusie is dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond dient te worden verklaard.

5.3. Voor vergoeding van schade als door appellant verzocht is ingevolge artikel 8:73 van de Awb in het onderhavige geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.

5.4. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Lochs.

RB