Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5258

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
06-2410 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toetsing van inhoud van functiewaardering beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat deze op onvoldoende gronden berust. Verschil van inzicht met betrekking tot de plaats en de taken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2410 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 28 februari 2006, 05/1252 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 12 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2008. Appellant is verschenen met bijstand van mr. P. Reitsma, advocaat te Harderwijk. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I. Biharie-Pronk en ing. C.P.J.M. Meijne, beiden werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is [naam functie] bij de sectie [naam sectie] van de Koninklijke Landmacht (KL).

1.2. Bij besluit van 2 april 2004, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 24 januari 2005, heeft de staatssecretaris met toepassing van het functiewaarderings-systeem FUWADEF, versie 2000, de functie van appellant gewaardeerd met 50 punten en ingedeeld in hoofdgroep IV, niveaugroep d, hetgeen overeenkomt met salarisschaal 11.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Naar de rechtbank met juistheid heeft overwogen, is de toetsing van de inhoud van de functiewaardering volgens vaste rechtspraak beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat deze op onvoldoende gronden berust (CRvB 1 december 2005, LJN AV6117 en TAR 2006, 87). Dit betekent dat pas tot vernietiging kan worden overgegaan indien de waardering als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend de enkele omstandigheid dat een andere waardering op zichzelf verdedigbaar is.

2.2. Het komt de Raad voor dat het geschil tussen partijen in hoofdzaak is te herleiden tot een verschil van inzicht met betrekking tot de plaats en de taken van het [naam Bureau] binnen de defensie-organisatie. De rechtbank is er, in navolging van de staatssecretaris, van uitgegaan dat het hier een uitvoerende eenheid betreft, die ten behoeve van een onderdeel van de KL concrete invulling geeft aan de personeelsvoorschriften en aan het geldende formatie- en functiewaarderingsbeleid. Dit beleid wordt centraal bepaald op het ministerie van Defensie en binnen de KL nader uitgewerkt door het Bureau Functiewaarderingsbeleid van de CDPO. Deze zienswijze vindt steun in de gedingstukken en appellant heeft de Raad niet van het tegendeel kunnen overtuigen. Aan het uitvoerende karakter van de functie doet met name niet af dat NACO een groot aantal functies omvat en dat appellant aan andere functionarissen - in voor-komend geval rechtstreeks aan de Commandant NATCO - advies uitbrengt over zaken die de formatie betreffen.

2.3. De score van 3 punten op kenmerk 2 (doel van de werkzaamheden) is met het vorenstaande in overeenstemming. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het hier gaat om het realiseren van de taakstelling van een werkeenheid met een afgebakend werkgebied en dat kort gezegd de terugkoppeling van daarop betrek-king hebbende gegevens en ervaringen het niveau van beleidsondersteuning niet overstijgt. Niet is voldaan aan de vereisten voor een score van 4 punten, voor zover hier van belang inhoudende dat sprake moet zijn van een beleidseenheid of van beleids-ontwikkelende werkzaamheden.

2.4. De score van 3 punten op kenmerk 8 (effect van de beslissingen) is door de staatssecretaris gebaseerd op het nog voorspelbare karakter van de (mogelijke) effecten van het handelen van de functionaris en op de mogelijkheid om die effecten binnen een termijn van een jaar vast te stellen. De Raad acht die waardering niet onhoudbaar. Gelet op de specifieke en technische aard van de materie kan appellant niet staande houden dat, zoals voor een score van 4 punten is vereist, sprake is van een groot aantal onzekere factoren waardoor het effect van de beslissingen moeilijk voorspelbaar is. Voorts heeft de staatssecretaris in aanmerking mogen nemen dat de functie geen eigen beslissings-bevoegdheid omvat en dat de bijdrage van de functionaris aan het besluitvormingsproces beperkt blijft tot het geven van adviezen, waarvan als regel binnen een jaar duidelijk is of, dan wel in hoeverre zij worden opgevolgd. De stelling van appellant dat hij als plaats-vervanger wèl beslissingen neemt doet hieraan niet af, nu het daarbij gaat om het tijdelijk uitoefenen van een andere functie.

2.5. Wat betreft de score van 3 punten op kenmerk 9 (kader) volgt uit hetgeen onder 2.2. is overwogen genoegzaam dat de functionaris gebonden is aan met elkaar samen-hangende richtlijnen, procedures, wet- en regelgeving en/of specifiek geformuleerde beleidslijnen, die alle op een hoger niveau tot stand zijn gebracht. Daarbij dient vooral te worden gedacht aan de uitgangspunten voor het inrichten van de organisatie van de KL, aan het geldende functiewaarderingssysteem en aan het bij de toepassing daarvan te hanteren beleid. Niet is gebleken van door de functionaris in te vullen, in algemene termen geformuleerde strategische kaders of algemene principes van bedrijfsvoering van middelgrote uitvoeringsorganisaties, zoals in de systeemtekst en -toelichting nader omschreven als voorwaarden voor het toekennen van 4 punten. Dat bij de werkzaam-heden bepaalde organisatiemodellen moeten worden gehanteerd, is daarvoor niet voldoende.

2.6. Aan de score van 3 punten op kenmerk 12 (vaardigheid) heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat het in de functie gaat om leidinggevende, improviserende, communicatieve, organiserende of adviesvaardigheden, nodig voor het tot stand brengen van het verlangde werkresultaat. Ook die waardering acht de Raad niet onhoudbaar. In het licht van het hiervóór overwogene is niet aannemelijk geworden dat de functionaris dient te beschikken over de 4 punten scorende vaardigheden die nodig zijn voor het ontwikkelen én uitdragen én verdedigen van beleid, nieuwe ideeën of concepten. Dat appellant de aan hemzelf opgelegde regels en beleidslijnen ook tegenover andere functionarissen binnen NACO moet uitdragen en verdedigen, betekent niet dat zijn functie op dit punt het louter uitvoerende karakter overstijgt.

2.7. Het beroep dat door appellant is gedaan op de normfuncties van Formatie-adviseur (933220) en Hoofd automatisering (933715) treft evenmin doel. Het gaat hier immers om functies die, anders dan de functie van appellant, worden uitgeoefend op het niveau van een ministerie. Vergelijking met deze normfuncties dwingt dan ook geenszins tot de conclusie dat de functie van appellant op één of meer van de hiervóór besproken kenmerken is ondergewaardeerd.

2.8. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.G. Treffers en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD