Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5248

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
06-3255 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAJONG-uitkering niet vroeger dan een jaar voor dag aanvraag. Bijzonder geval? Niet in staat eerder aanvraag in te dienen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3255 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 april 2006, 04/3218 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene],

en

appellant.

Datum uitspraak: 30 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2008. Appellant is niet verschenen. Betrokkene was in persoon aanwezig en werd bijgestaan door J.A.J. Vervest, Maatschappelijk Werk & Rechtspraktijk te Eindhoven.

II. OVERWEGINGEN

Op 21 januari 2002 heeft betrokkene, geboren [in 1971], een aanvraag om een WAJONG-uitkering ingediend.

Bij besluit van 20 september 2002 heeft appellant aan betrokkene per 21 januari 2001 een WAJONG-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, onder overweging dat niet is gebleken van een bijzonder geval waarin kan worden afgeweken van de eerste zin van het tweede lid van artikel 29 van de WAJONG, inhoudende dat de uitkering niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning (dan wel voortzetting) van de uitkering werd ingediend.

Bij besluit van 18 december 2002 heeft appellant betrokkenes bezwaar tegen het besluit van 20 september 2002 ongegrond verklaard. Dit besluit is door de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij uitspraak van 29 april 2004 vernietigd, waarna appellant bij besluit van 22 oktober 2004 wederom betrokkenes bezwaar ongegrond heeft verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank op basis van de beschikbare medische gegevens gekomen tot het oordeel dat betrokkene ten tijde hier van belang buiten staat is geweest om zelf of met inschakeling van derden een aanvraag om een uitkering in te dienen. Van die gegevens maken met name deel uit de rapporten van de door de rechtbank als onafhankelijke deskundige ingeschakelde psychiater-psychoanalyticus M.J. van Weers van 11 oktober 2005 en van 19 februari 2006 (dat laatste rapport is een reactie op het commentaar van de bewaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans van 23 november 2005 op het eerste rapport). Van Weers is gelet op alle beperkingen van betrokkene in het psychisch, persoonlijk en sociaal functioneren tot de conclusie is gekomen dat er bij betrokkene sprake was van uitdrukkelijk onvermogen om tijdig een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vragen

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er geen sprake is van een bijzonder geval, daar uit de gedingstukken voldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene in staat is geweest, al dan niet met hulp van anderen, tijdig een aanvraag om een WAJONG-uitkering in te dienen.

Uit de in de bezwaarprocedure verkregen aanvullende gegevens blijkt dat betrokkene niet leed aan zodanige psychiatrische stoornissen dat hij daardoor buiten staat was om tijdig een aanvraag in te dienen. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 23 november 2005 geconcludeerd dat uit het rapport van Van Weers weliswaar blijkt dat betrokkene slechts over beperkte vermogens beschikte om tijdig een aanvraag in te dienen, maar dat er niet kan worden gesproken van een expliciet onvermogen daartoe. Van Weers heeft ook aangegeven dat hij niet van oordeel is dat betrokkene zonder meer buiten staat was om de gevolgen van diens gedragskeuzes te overzien en dienovereenkomstig diens wil te bepalen. Betrokkene lijdt namelijk niet aan een ernstige psychiatrische stoornis. Er is bij hem sprake van een lage tot matige begaafdheid, een antisociale persoonlijkheidsstoornis, chronisch polydrugsgebruik en mogelijk ADHD. Vervolgens heeft Van Weers de vergelijking met het strafrecht gemaakt door aan te geven dat in dat geval men in een strafrechtelijk kader zou concluderen tot het bestaan van een sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene in het verleden, ondanks een antisociale persoonlijkheidsstoornis, heeft beschikt over voldoende zelfredzaamheid om diverse malen werk te vinden en zonodig een Ziektewet- of bijstandsuitkering aan te vragen. Betrokkene heeft zelfs in het verleden verschillende malen een bijstandsuitkering genoten. Derhalve kan niet worden gesteld dat betrokkene zijn eigen belangen niet op adequate wijze kon behartigen en buiten staat was om tijdig(er) een aanvraag om een WAJONG-uitkering in te dienen.

Ter zitting heeft betrokkene zich geschaard achter het oordeel van de rechtbank en benadrukt dat hij weliswaar enige malen een bijstandsuitkering heeft genoten, maar die uitkering door derden voor hem werd geregeld, zodat niet de conclusie valt te trekken dat hij in staat was om zelfstandig zijn zaken behoorlijk te regelen.

De Raad kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank en overweegt daartoe als volgt.

Naar vaste jurisprudentie van de Raad is er sprake van een bijzonder geval in de zin van artikel 29, tweede lid, van de WAJONG, indien de betrokkene redelijkerwijs moet worden geacht niet in verzuim te zijn geweest doordat de aanvraag niet eerder (dan in dit geval op 21 januari 2002) is ingediend.

Het is evenzeer vaste jurisprudentie van de Raad dat onbekendheid met het bestaan van de WAJONG en/of de mogelijkheid om een WAJONG-uitkering aan te vragen geen bijzonder geval oplevert.

Dat er bij betrokkene sprake is van ernstige beperkingen is buiten kijf en het geschil is dan ook toegespitst op de vraag of die beperkingen eraan in de weg hebben gestaan om eerder een aanvraag in te dienen dan thans het geval is geweest.

Anders dan Van Weers en in diens voetspoor de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. De Raad overweegt daartoe dat betrokkene ondanks zijn beperkingen in de loop der jaren sinds hij voor het eerst voor toekenning van een WAJONG-uitkering in aanmerking zou kunnen zijn gekomen in de praktijk wel in staat is gebleken anderssoortige uitkeringen aan te vragen, al dan niet weloverwogen, met hulp van zijn echtgenote en/of anderen en eerst nadat hem het water (na) aan de lippen of nog hoger is komen te staan. Daaraan kan niet afdoen de mogelijkheid dat - achteraf bezien - daarbij de financiële belangen van betrokkene niet altijd ten volle gediend zijn geweest.

In het rapport van Van Weers is vermeld dat betrokkene niet eerder een WAJONG-uitkering heeft aangevraagd, omdat hij op grond van van vrienden verkregen inlichtingen abusievelijk veronderstelde daarop geen recht te hebben. Daaruit is af te leiden dat betrokkene destijds van het bestaan van de WAJONG en van de mogelijkheid tot het aanvragen van een WAJONG-uitkering op de hoogte is geweest, maar op grond van - niet door of voor verantwoordelijkheid van appellant verstrekte - onjuiste inlichtingen heeft besloten niet tot het indienen van een aanvraag over te gaan. Ter zitting van de Raad heeft betrokkene evenwel desgevraagd verklaard niet eerder tot het aanvragen van een WAJONG-uitkering te hebben kunnen overgaan, omdat hij van het bestaan van de WAJONG en de mogelijkheid om op grond daarvan een uitkering aan te vragen niet eerder op de hoogte is geweest. Die onbekendheid levert - zoals hiervoor is vermeld - naar vaste jurisprudentie van de Raad niet een bijzonder geval op.

Van Weers heeft nog een vergelijking getrokken met het strafrecht in welk kader naar zijn mening vanwege de lage tot matige begaafdheid, de antisociale persoonlijkheidsstoornis, het chronisch polydrugsgebruik en de mogelijke ADHD die zich bij betrokkene voordoen, zou zijn geconcludeerd tot het bestaan van een sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. De vergelijking gaat evenwel niet op, omdat in het strafrecht geheel andere criteria gelden dan in het bestuursrecht en het in het thans aanhangige geval niet gaat om iets strafbaars dat betrokkene heeft gedaan, maar juist om iets dat betrokkene niet (eerder) heeft gedaan.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt, de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het (inleidende) beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst - Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

TM