Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5232

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
06-4914 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4914 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 juli 2006, 05/8839 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 23 april 2008 dient de gemachtigde van appellant aanvullende gronden in en overlegt een voortgangsrapportage van 3 mei 2006 van re-integratiebedrijf Fama.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Toxopeus, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als beveiligingsmedewerker toen hij zich op 17 december 2003 arbeidsongeschikt meldde ten gevolge van rechteroog- en hoofdpijnklachten.

1.2. De arts H.I. Jansen heeft op 11 april 2005 gerapporteerd en in dit rapport de verkregen informatie van de behandelend oogarts beschreven. Op basis hiervan heeft Jansen de mogelijkheden en beperkingen van appellant, in het bijzonder in verband met zijn duidelijke visuele stoornis, vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 11 april 2005. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige C.F. van der Voort blijkens een rapport van 17 mei 2005 na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 8,85%. Dienovereenkomstig weigerde het Uwv bij besluit van 18 mei 2005 aan appellant met ingang van 16 december 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

2.1. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts M. Keus in een rapport van 23 september 2005 de beschikbare gegevens gewogen en geen aanleiding gezien af te wijken van de FML. Wel heeft Keus gesteld dat in verband met de hoofdpijnklachten van appellant rekening moet worden gehouden met het feit dat appellant niet bovennormaal belastbaar is ten aanzien van concentreren. De bezwaararbeidsdeskundige is in een rapport van 8 november 2005 ingegaan op de verhouding tussen de concentratie die in de functies noodzakelijk is tot de concentratie die appellant aankan. Tevens is de bezwaararbeidsdeskundige ingegaan op de verhouding tussen de hoofdpijnklachten van appellant en het maken van hoofdbewegingen in de functies. De bezwaararbeidsdeskundige concludeerde dat bovenstaande, hetgeen leidde tot het vervallen van de niet voor de onderhavige schatting gebruikte functie operator afbindmachine (sbc-code 268040), geen gevolgen heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. Vervolgens verklaarde het Uwv het tegen het besluit van 18 mei 2005 gemaakte bezwaar bij besluit van 10 november 2005 ongegrond.

3. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 10 november 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond. De rechtbank onderschreef - kort gezegd - de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

4. In hoger beroep heeft appellant zijn in de eerdere fasen van de procedure voorgebrachte bezwaren en argumenten in essentie herhaald. Deze komen erop neer dat appellant van mening is dat de belastbaarheid in de FML veel te gunstig is voorgesteld en dat appellant zich niet kan vinden in de geduide functies.

5.1.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven.

5.1.2. De Raad kan zich vinden in het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Uit de beschikbaar gekomen informatie van de behandelend oogarts van appellant van 25 januari 2005 valt niet af te leiden dat appellant op de datum in geding ernstiger beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen.

5.1.3. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die een ander licht werpen op zijn gezondheidstoestand op het tijdstip dat in geding is.

5.2. Wat betreft de aan de schatting ten grondslag gelegde functies portier, toezichthouder (sbc-code 342021), surveillant bewakingsdienst (sbc-code 342023) en operator chemische en kunststofverwerkende industrie (sbc-code 271122) overweegt de Raad dat door de (bezwaar)arbeidsdeskundigen reeds voor het nemen van het bestreden besluit genoegzaam is toegelicht waarom deze functies als voor appellant medisch geschikt kunnen worden beschouwd.

6.1. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. Voor vergoeding van schade als door appellant verzocht is ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.

6.2. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Lochs.

TM