Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5226

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
07-766 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Onvolledige gegevens verstrekt omtrent woonadres. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/766 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2006, 06/5490 en 06/5145 WWB (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Ch.W.A. van Dam, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2008. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Dam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A. Kwoei, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft op 30 juni 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd naar de norm van een alleenstaande ouder. Appellante heeft opgegeven met haar kinderen te wonen aan het adres [adres 1] te [woonplaats].

De Afdeling Controle en Opsporing van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam heeft naar aanleiding van de aanvraag een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellante. In dat kader heeft appellante op 7 juli 2006 een verklaring afgelegd, heeft aansluitend een huisbezoek op het adres [adres 1] te [woonplaats] plaatsgevonden en zijn op 10 juli 2006 enkele omwonenden van dit adres gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 11 juli 2006. De onderzoeksresultaten waren voor het College aanleiding om bij besluit van

17 juli 2006 de aanvraag van appellante af te wijzen.

Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 17 juli 2006 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij woonachtig was op het door haar opgegeven adres en dat de door haar verstrekte gegevens omtrent haar woonsituatie onjuist dan wel onvolledig zijn, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of zij recht heeft op bijstand.

Bij de aangevallen uitspraak - voor zover in dit geding van belang - heeft de voorzieningenrechter het beroep van appellante tegen het besluit van 3 oktober 2006 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

De Raad onderschrijft het oordeel van de voorzieningenrechter, dat de in de rapportage van 11 juli 2006 neergelegde bevindingen en opgenomen verklaringen de conclusie van het College rechtvaardigen dat appellante en haar kinderen ten tijde in geding niet woonachtig waren op het door haar opgegeven adres. De Raad verwijst kortheidshalve naar de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, met welke hij zich kan verenigen. De Raad voegt hier nog aan toe dat het gegeven dat het College appellante bij besluit van 11 januari 2007 met ingang van 11 september 2006 bijstand heeft toegekend geen aanleiding geeft tot een andersluidend oordeel, alleen al nu aan deze beslissing andere feiten en omstandigheden - onder meer vastgesteld naar aanleiding van een op 28 september 2006 afgelegd huisbezoek - ten grondslag hebben gelegen.

Het voorgaande leidt ook de Raad tot de conclusie dat appellante onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt omtrent haar woonadres. Daarmee is zij tekort geschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting. De Raad is voorts van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, appellante ten tijde hier van belang verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerst lid, van de WWB. Het College heeft derhalve de aanvraag om bijstand van appellante van 30 juni 2006 terecht afgewezen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) P.C. de Wit.

OA