Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5211

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
06-6471 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Voldoende acht geslagen op aanwezige psychiatrische rapporten? Oordeel bezwaarverzekeringsarts voldoende onderbouwd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6471 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 20 september 2006, 06/102 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrok[woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 20 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.A.M. Broos, advocaat te Utrecht, als zijn raadsman.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene, geboren [in 1951], heeft medio 1979 zijn werkzaamheden van organisatiechef bij het touringcarbedrijf [naam bedrijf] in zijn woonplaats [woonplaats] wegens psychische klachten en rugklachten gestaakt. Aan hem is na ommekomst van de wettelijke wachttijd van destijds 52 weken onder meer een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, uiteindelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sedert 1980 is betrokkene werkzaam als zelfstandig ondernemer. Aanvankelijk als SRV-man, nadien in een eigen beveiligingsbedrijf, een dierenpension en een tuincentrum. Vanaf september 1981 is betrokkene, naar aan het rapport van 28 december 1982 van psychiater G.G. de Rijk, psychiater bij de polikliniek psychiatrie Venray, valt te ontlenen, wegens psychische problemen als gevolg van zijn persoonlijkheidsstructuur enige maanden onder behandeling geweest. In het kader van een beroepsprocedure bij deze Raad, betreffende de onder meer aan de WAO te ontlenen aanspraken, is betrokkene door de als deskundige geraadpleegde zenuwarts J.M.E. van Zandvoort te Meppel onderzocht. Deze is bij rapport van 30 juni 1983 tot de conclusie gekomen dat betrokkene uit psychiatrisch oogpunt sedert 1 september 1980 ongeschikt was werkzaamheden te verrichten en dat die ongeschiktheid in overwegende mate te wijten was aan een op dat moment ziekelijk psychiatrisch functioneren ten gevolge van een karakter- en persoonlijkheidsstructuur die op zich niet als ziekte of gebrek kan worden aangemerkt. Bij besluit van 15 oktober 1985 is de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 1 juli 1985 herzien naar 15 tot 25%. De psychiater De Rijk heeft in het kader van het daartegen ingestelde beroep bij brief van 3 maart 1986 aangegeven dat de inhoud van zijn rapport onverminderd gelding heeft. De zenuwarts-psychiater A.W. Gerritsen is vervolgens door de toenmalige Raad van Beroep te Roermond als deskundige terzake geraadpleegd. Deze heeft bij rapport van 25 februari 1987 gesteld dat betrokkene zeer kwetsbaar is en dat zijn zeer dynamische optreden er gemakkelijk toe leidt dat anderen zijn belastbaarheid veel hoger inschatten dan deze feitelijk is. Volgens deze deskundige bestaat er gerede twijfel of betrokkene zonder extreem ziekteverzuim werkzaamheden in loondienst, als in het kader van voormelde herziening aan hem waren voorgehouden, kan verrichten. De deskundige heeft zijn standpunt samengevat door te stellen dat betrokkene een ernstige persoonlijkheidsstoornis heeft waarbij te verwachten is dat hij telkens weer in voorkomende situaties zich van neurotische mechanismen bedient die tot compensatie voeren. De persoonlijkheid op zich kan echter zolang zich de situaties die deze mechanismen uitlokken niet voordoen niet zonder meer als ziekte of gebrek aangemerkt worden daar ze ook onder bepaalde omstandigheden tot succesvol handelen kunnen leiden. Hierbij heeft deze deskundige vermeld dat hij de risico’s bij werken in dienstverband onevenredig groter acht, zodat betrokkene op medische gronden aangewezen is op het werk als zelfstandige. Daarop heeft appellants rechtsvoorganger, de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer, bij brief van 7 oktober 1987 te kennen gegeven betrokkene alsnog per 1 juli 1985 uitkering ingevolge de WAO te verlenen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sedertdien is aan betrokkene, ook na herbeoordeling in 1994, WAO-uitkering naar deze mate van arbeidsongeschiktheid verleend.

2.1 In het kader van de beoordeling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid is betrokkene op 5 januari 2005 onderzocht door de verzekeringsarts J.F.M.M. van der Hart. Aan dit rapport valt te ontlenen dat de verzekeringsarts bij oriënterend onderzoek ten aanzien van bewustzijn, concentratie, stemming, oriëntatie, waarnemen en denken geen afwijkingen vond. Voorts waren er ook geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Wel heeft de verzekeringsarts, na ontvangst van inlichtingen van de behandelende artsen, de lichamelijke belastbaarheid beperkt geacht. Bij besluit van 5 april 2005 is de uitkering van appellant ingetrokken per 6 juni 2005, omdat uit arbeidskundig onderzoek was gebleken dat betrokkene met inachtneming van zijn medische beperkingen zijn eigen werk (de maatgevende arbeid) van organisatiechef kon verrichten. Daarnaast werd betrokkene geschikt geacht werkzaamheden te verrichten verbonden aan een aantal hem voorgehouden functies.

2.2 In de bezwaarfase van de besluitvorming heeft de bezwaarverzekeringsarts

P.M.H-J. Tjen dossierstudie gedaan en de hoorzitting bijgewoond. Met betrekking tot de hoorzitting vermeldt de bezwaarverzekeringsarts dat bij betrokkene geen sprake was van een psychisch gedecompenseerd toestandsbeeld of van manifeste psychopathologie. Psychisch disfunctioneren in een andere vorm kon ook niet worden waargenomen. Na bespreking van de aanwezige dossiergegevens, waaronder begrepen voormelde psychiatrische rapportages, heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat er geen beperkingen zijn te duiden op basis van betrokkenes karakterstructuur, omdat dit niet als een ziekte of gebrek aangemerkt kon en kan worden. Bij een arbeidskundige herbeoordeling door de bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten is betrokkene alsnog ongeschikt geacht voor de maatgevende arbeid en is de mate van zijn arbeidsongeschiktheid op basis van voor hem geschikt geachte functies gesteld op 35 tot 45%. Daarop is bij het bestreden besluit van 15 december 2005 de WAO-uitkering per

6 juni 2005 herzien naar deze mate van arbeidsongeschiktheid.

3. De rechtbank heeft, onder gegrondverklaring van het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep, dit besluit vernietigd, daarbij betekenis toekennend aan het in beroep van de zijde van betrokkene ingezonden rapport van de psychiater in opleiding J.C. Eschauzier en psychiater dr. C.V. de Blécourt. Daarin is vermeld dat er geen aanwijzingen zijn die aannemelijk maken dat betrokkene in tegenstelling tot 1979 thans wel geschikt zou zijn voor werken in dienstverband. De rechtbank heeft daarop als haar oordeel gegeven dat het bestreden besluit op een onjuiste, althans ontoereikende, medische grondslag berust, omdat vanwege appellant geen onderzoek was verricht naar de vraag of het risico van decompenseren op de datum in geding bij het verrichten van werkzaamheden in dienstverband aanwezig is.

4. In hoger beroep heeft appellant dit oordeel, onder overlegging van een rapport van

20 november 2006 van de bezwaarverzekeringsarts Tjen, uitvoerig bestreden. Daarin heeft de bezwaarverzekeringsarts zijn standpunt als volgt samengevat:

-bij belanghebbende is er in psychische zin geen sprake van ziekte of gebrek. Er is bij hem al jarenlang geen sprake van een psychopathologisch toestandsbeeld (as 1, DSM-IV) en belanghebbende heeft geen persoonlijkheidsstoornis (as 2);

-belanghebbende is in 1979 eenmalig en tijdelijk gedecompenseerd door een

samenloop van omstandigheden die zowel voortvloeiden uit zijn specifieke arbeidssituatie als zijn privé-situatie. Dat hij op basis van zijn karakterstructuur sindsdien niet meer geschikt zou zijn om te werken in een dienstverband (= werken in een ondergeschikte gezagsverhouding) is een nooit bewezen hypothese die in elk geval niet af te leiden valt uit objectieve klinische gegevens: i.c. zijn feitelijk functioneren in de jarenlange periode voorheen, toen hij wel onder deze omstandigheden kon werken, en ook niet uit het persoonlijk en maatschappelijk functioneren in de periode daarna.

-de conclusies van de psychiater i.o. in het jongste verslag van 2 april 2006 zijn slechts een kritiekloze herhaling van hetgeen eerder gezegd is en vloeit niet voort uit een op objectief klinische feiten gebaseerde oordeelsvorming.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1 De Raad stelt voorop dat appellant vanaf 1980 heeft aangenomen dat betrokkene op psychische gronden beperkt moet worden geacht ter zake van het verrichten van arbeid in loondienstfuncties. In 1983 en in 1987 is deze conclusie bevestigd door de respectievelijk door de Raad ingeschakelde zenuwarts Van Zandvoort en de door de toenmalige Raad van Beroep Roermond ingeschakelde psychiater Gerritsen. Sinds 1980 ontvangt betrokkene in verband hiermee uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na verzekeringsgeneeskundige herbeoordeling in 1994 is dit standpunt niet verlaten.

5.2 Aan de rapporten van de verzekeringsarts Van der Hart van 5 januari 2005 en

17 februari 2005 kan de Raad niet ontlenen dat deze bij zijn oriënterend onderzoek naar de psychische toestand van betrokkene zich rekenschap heeft gegeven van de door voormelde psychiaters alsmede de door de indertijd behandelend psychiater De Rijk gesignaleerde problematiek. De bezwaarverzekeringsarts Tjen heeft blijkens zijn in de bezwaarfase opgemaakte rapport van de in het verleden uitgebrachte psychiatrische rapporten kennis genomen, maar heeft zijn hiervoor in hoger beroep nog eens samengevatte en duidelijk van het oordeel van deze psychiaters afwijkende standpunt slechts doen steunen, naar aan het verslag van de hoorzitting en zijn rapport valt te ontlenen, op observatie van betrokkene op de zitting.

5.3 Naar het oordeel van de Raad hadden de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen, in het licht van voormelde voorgeschiedenis en de uitdrukkelijke opvattingen van voormelde psychiaters, die in rechte indertijd ook zijn gevolgd, niet zonder gedegen onderzoek door een psychiater het eerder in lengte van jaren gevolgde standpunt, mede gelet op de complexe aard van de psychische problematiek, mogen verlaten.

5.4 Appellant heeft in strijd met de zorgvuldigheid gehandeld door de verlaging van de WAO-uitkering slechts te baseren op voormelde rapporten van zijn (bezwaar)verzekeringsartsen. Te minder reden ziet de Raad aanwezig om een ander standpunt in te nemen, nu het in beroep ingezonden rapport van de psychiater De Blécourt daarvoor ook geen steun biedt. De Raad concludeert dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt.

6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit is vernietigd, zij het op enigszins andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

7. Het verzoek van betrokkene om vergoeding van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door appellant noodzakelijk is. Appellant zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden. Indien appellant mocht besluiten af te zien van een nieuw besluit op bezwaar, zal hij ter zake een zelfstandig (schade)besluit dienen te nemen.

8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en

J. Riphagen als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

TM