Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5201

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
06-4621 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Functionele Mogelijkheden Lijst juist vastgesteld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4621 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 juli 2006, 06/463 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, werkzaam bij Delescen & Scheers, advocaten en procureurs te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft op 21 april 2008 een medisch stuk ingezonden.

Het Uwv heeft op 25 april 2008 een arbeidskundig rapport overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2008.

Namens appellante is haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als administratief medewerkster toen zij zich op 22 januari 1998 ziek meldde als gevolg van nek- en rugklachten. De rechtsvoorganger van het Uwv heeft appellante bij besluit van 16 december 1998 met ingang van 21 januari 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Appellante is in het kader van een heronderzoek op 25 augustus 2004 onderzocht door de verzekeringsarts P.J.P.K. Lux. Deze nam blijkens het rapport van dit onderzoek van dezelfde datum bij het lichamelijk onderzoek van onder andere de rug en de nek een normale beweeglijkheid dan wel geen duidelijke afwijkingen waar. Ook bij de uitgebreide weergave van de psychiatrische observatie noteerde Lux geen bijzonderheden. Gezien anamnese, presentatie en bevindingen stelde Lux niettemin vast dat appellante aangewezen was op een aantal rugsparende beperkingen, welke werden neergelegd in een op 25 augustus 2004 gedateerde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Voorts achtte Lux in verband met frequente nyxis de mogelijkheid van regelmatige toiletgang op de werkplek noodzakelijk. Bij het arbeidskundig onderzoek werd een aantal functies geselecteerd en het verlies aan verdienvermogen berekend op 36,42%. In overeenstemming hiermee werd bij besluit van 1 oktober 2004 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 december 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2.1. In de bezwaarprocedure vermeldde de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal in een rapport van 2 januari 2006 de beschikbare medische informatie over appellante, waaronder brieven van de huisarts van 13 september en 4 oktober 2004, alsmede een brief van de behandelend neuroloog van 19 juli 2004. Admiraal gaf aan dat de neuroloog wel degeneratieve afwijkingen aan de rug en lichte atypische wortelprikkeling op het niveau L5 vaststelde, maar dat Lux bij zijn onderzoek geen neurologische uitval kon objectiveren. De in de FML aangenomen rugbeperkingen achtte Admiraal dan ook voldoende en ook overigens zag hij, gezien de bevindingen bij het onderzoek van de nek en de linkerarm, geen aanleiding zwaardere beperkingen te stellen. De bezwaararbeids-deskundige liet in een rapport van 9 januari 2006 vanwege de eis inzake het toiletbezoek een tweetal reservefuncties vervallen, lichtte de medische geschiktheid van de resterende functies toe en concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante correct was vastgesteld. Vervolgens verklaarde het Uwv het tegen het besluit van 1 oktober 2004 gemaakte bezwaar bij besluit van 11 januari 2005 (lees: 2006) ongegrond.

3. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 11 januari 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond. De rechtbank onderschreef - kort gezegd - de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

4. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante desgevraagd verklaard dat in hoger beroep niet meer aan de orde zijn de in eerste aanleg door appellante naar voren gebrachte bezwaren tegen de handelwijze van het Uwv en de datering van het bestreden besluit. Alleen in geding is de vaststelling van de FML. Voorts stelde de gemachtigde dat hij zich niet keerde tegen de motivering van de medische geschiktheid van de geduide functies bij het bestreden besluit.

5.1. Zich beperkend tot het aldus door de gemachtigde van appellant aangegeven punt van geschil overweegt de Raad dat hij in hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht geen aanleiding heeft gezien om een ander oordeel dan de rechtbank te geven over de medische grondslag van het bestreden besluit.

5.2. Uit de in hoger beroep overgelegde brief van de behandelend anesthesioloog van 9 augustus 2007, waarin onder verwijzing naar eerdere brieven uit 2006 en 2007 wordt vermeld dat sprake is van rug- en nekklachten, valt niet af te leiden dat, anders dan haar gemachtigde van mening is, de beperkingen van appellante door het Uwv zijn onderschat. Voorts blijkt uit het onderzoek van Lux niet dat ten tijde van de datum in geding sprake was van psychische klachten die tot het aannemen van beperkingen in de rubrieken 1 en 2 van de FML zouden nopen. De Raad gaat voorbij aan het standpunt van de gemachtigde van appellante ter zitting dat de aanwezigheid van de psychische klachten zou blijken uit één van de brieven van de anesthesioloog uit 2006, reeds omdat die brieven niet door de gemachtigde zijn overgelegd. De Raad stelt ten slotte vast dat de gemachtigde van appellante ter zitting verklaarde dat de ziekmelding van appellante op 1 mei 2005, welke volgens de verklaring van haar toenmalige gemachtigde ter zitting van de rechtbank zou hebben geleid tot de conclusie van de verzekeringsarts L.L. Boots-Moerman na spreekuuronderzoek op 12 mei 2005 dat appellante toen niet geschikt was voor het vervullen van de ingevolge de WAO geduide functies, uiteindelijk niet heeft geleid tot verhoging van de WAO-uitkering van appellante.

5.3. Uit al het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Lochs.

RB