Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5200

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
06-5032 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Nieuwe regelgeving in verband met herbeoordelingen van toepassing? Voldoende medische grondslag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5032 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 augustus 2006, 05/5644 en 05/7720 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.V. Dijksma, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Tevens heeft het Uwv een

commentaar van 19 oktober 2006 van bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Roeloffzen, als opvolgend gemachtigde van mr. Dijksma.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Nood.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het hoger beroep zich alleen richt tegen de aangevallen uitspraak voorzover daarbij is geoordeeld over de besluitvorming van het Uwv inzake de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De Raad zal zich dan ook beperken tot het aldus geformuleerde punt van geschil.

2.1. Appellant was werkzaam als sales manager toen hij zich op 10 juli 2003 arbeidsongeschikt meldde ten gevolge van hartklachten. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 2 juli 2004 met ingang van 8 juli 2004 een WAO-uitkering toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.2.1. De verzekeringsarts T.K. Oei heeft appellant op 19 mei 2004 onderzocht. In het rapport van dit onderzoek zijn onder andere de hartklachten beschreven en is aangegeven dat informatie opgevraagd zal worden aan de behandelend cardioloog. Oei heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 19 mei 2004. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige

J. Boers-van Triest blijkens een rapport van 1 juli 2004 aangegeven dat in verband met ziekenhuisopname niet tot een schatting kon worden overgegaan. Het Uwv heeft op basis hiervan het besluit van 2 juli 2004 afgegeven.

2.2.2. Naar aanleiding van medische informatie van de huisarts en de cardioloog heeft de verzekeringsarts opnieuw gerapporteerd op 7 september 2004 en op 27 oktober 2004. Tevens is op 27 oktober 2004 een (nieuwe) FML opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft blijkens een rapport van 28 januari 2005 na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 48%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 28 januari 2005 de uitkering van appellant met ingang van 29 maart 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

3. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer in een rapport van 27 juni 2005 de beschikbare medische gegevens gewogen en geen aanleiding gezien af te wijken van het medisch oordeel van verzekeringsarts Oei. Vervolgens verklaarde het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 januari 2005 bij zijn besluit van 30 juni 2005 ongegrond.

4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 30 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kon appellant op de brief van 31 augustus 2004 over de herbeoordeling in verband met de veranderde regelgeving niet de gerechtvaardigde verwachting baseren dat nader onderzoek naar zijn restverdiencapaciteit achterwege zou blijven. De rechtbank onderschreef het vanwege het Uwv verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Uit de in beroep door appellant overgelegde medische informatie van de behandelend sector is de rechtbank niet gebleken dat ten tijde van de datum in geding onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische klachten.

5. In hoger beroep heeft appellant zijn in eerdere fasen van de procedure voorgebrachte bezwaren en argumenten in essentie herhaald. Deze komen erop neer dat appellant van mening is dat hij uit de brief van 31 augustus 2004 mocht verwachten dat een nader onderzoek achterwege zou blijven. Voorts voert appellant aan dat de cardioloog niet ontkent dat er klachten zijn en is appellant van mening volledig arbeidsongeschikt te zijn.

6.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de brief van 31 augustus 2004 anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad is van oordeel dat in de bewuste brief valt te lezen dat de nieuwe regelgeving niet voor appellant geldt. Voorts ziet de daarop volgende passage op het achterwege blijven van de herbeoordelingen na 1 en 5 jaar, waarop de in geding zijnde besluitvorming geen betrekking heeft. Overigens heeft de arbeidsdeskundige Boers-Van Triest, blijkens de rapportage van 28 januari 2005, de bewuste brief besproken met appellant en uitgelegd dat het gaat om nieuwe regelgeving die niet op appellant van toepassing is, hetgeen appellant volgens dat rapport toen begreep. Ter zitting bij de rechtbank is bovenstaande nogmaals aan appellant uitgelegd.

6.2.1. Voorts heeft de Raad geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank heeft gedaan. Nu de verzekeringsarts een lichamelijk onderzoek heeft verricht en informatie heeft opgevraagd bij de behandelend cardioloog van appellant, was er voldoende medische informatie aanwezig en was het klachtenpatroon duidelijk zodat de bezwaarverzekeringsarts kon afzien van het verrichten van een lichamelijk onderzoek. Voorts is de Raad van oordeel dat uit de in bezwaar en beroep beschikbaar gekomen informatie van de behandelaars van appellant, waaronder met name een brief van de cardioloog van 20 oktober 2004 en een brief van de cardioloog van 16 juni 2006, niet valt af te leiden dat appellant op de datum in geding ernstiger beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen. De ter hoorzitting door appellant vermelde ziekenhuisopnames na Pasen in 2005, welke blijkens het verhandelde ter zitting kortdurend (1 avond tot enkele dagen) waren, speelden zich alle, nu Pasen in dat jaar op 27 en 28 maart viel, af na de datum in geding. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is althans het tegendeel niet gebleken ten aanzien van één van die opnames.

6.2.2. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die een ander licht werpen op zijn gezondheidstoestand op het tijdstip dat in geding is.

6.3. Uit al het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Lochs.

RB