Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5196

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
07-2072 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Overschrijding vermogensgrens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2072 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 februari 2007, 06/250 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.K. Ramdas, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2008. Voor appellante is verschenen mr. Ramdas. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 5 augustus 2005 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2002 tot en met 13 november 2002 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 12.025,74 van haar teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante verzuimd heeft melding te maken van een tweetal rekeningen bij de Fortis Bank met een tegoed boven de vermogensgrens.

Bij besluit van 20 december 2005 heeft het College het daartegen gerichte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard met dien verstande dat de periode van intrekking is gewijzigd in de periode van 1 januari 2002 tot en met 10 november 2002 en dat het terug te vorderen bedrag nader is vastgesteld op € 11.909,33.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 20 december 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen (waarbij voor eiseres appellante en voor verweerder het College dient te worden gelezen):

“ Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de door de eiseres overgelegde stukken niet genoegzaam kan worden afgeleid dat het tegoed bij de Fortis Bank niet aan eiseres zou moeten worden toegerekend. Eiseres heeft immers zelf verklaard dat zij over de rekening kon beschikken. De stelling dat het destijds niet de bedoeling was om een en/of rekening te openen acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Uit de zich bij de stukken bevindende bankafschriften blijkt dat sprake is van een en/of rekening. Die afschriften zijn door de bank steeds aan eiseres toegestuurd. Dat daadwerkelijk aan de bank is verzocht om die situatie te veranderen is weliswaar door [M.] schriftelijk verklaard, maar niet verder (bijvoorbeeld met kopieën van brieven aan de bank) onderbouwd.”

In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam van een bijstandontvanger een tegoed bevat, de vooronderstelling dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellante daarin niet is geslaagd. Nu het banktegoed de in aanmerking te nemen vermogensgrens overschreed vormde dit ten tijde in geding een beletsel voor bijstandsverlening aan appellante. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd komt neer op een herhaling van datgene dat reeds in eerste aanleg naar voren is gebracht - en daar in toereikende mate is weerlegd - en behoeft om die reden geen nadere bespreking.

Het voorgaande brengt mee dat het College bevoegd was met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB tot intrekking van de aan appellante over de periode van 1 januari 2002 tot en met 10 november 2002 verleende bijstand. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

Daarmee is tevens voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College de bevoegdheid toekwam een bedrag van € 11.909,33 van appellante terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleidsregels. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van de beleidsregels had moeten afwijken.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

NB