Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
06-5440 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van besluit betreffende definitieve vaststelling salarisschaal. Geen nieuwe feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5440 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2006, 05/2658 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 12 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door J. Veeren, bestuurder van De Unie/UOV. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.J. Overgaauw, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreider overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. In februari 2002 is appellant, als coördinerend controlebeambte werkzaam bij de afdeling [naam afdeling] van de RET en tot dan toe ingeschaald in de schaal FSK 5, met ingang van 1 december 2001 indicatief ingeschaald in schaal FSK NS 6, periodieknummer 11. Dit geschiedde op basis van functieherwaardering. Het salaris is vanaf februari 2002, met terugwerkende kracht tot 1 december 2001, overeenkomstig de nieuwe schaal betaald.

1.2. In een zogenoemde statusbrief van 8 juli 2002, aangepast bij brief van 16 juli 2002, is de indeling in schaal 6 definitief vastgesteld. In deze laatste brief is gewezen op de mogelijkheid om binnen 6 weken bezwaar te maken tegen deze beslissing. Appellant heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

1.3. Samen met een groot aantal collega’s heeft appellant op 11 oktober 2002 bezwaar gemaakt tegen een beslissing van 22 juli 2002, die door hen is aangeduid als eenmalige ontheffing DWC-procedure. In het bezwaarschrift zijn de onder 1.1. en 1.2. vermelde beslissingen niet genoemd. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend.

1.4. Op 20 januari 2003 heeft appellant een aanvraag gedaan om nabetaling van het verschil in salaris tussen de schalen 6 en 5 over de periode vanaf 1 september 1998. Deze aanvraag is afgewezen. De afwijzing is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 mei 2005 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft het - nadere - standpunt van het college gedeeld dat hier sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat appellant in zijn aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld.

3. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn verzoek van 20 januari 2003 moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van een definitief besluit van het college inzake de vaststelling van de salarisschaal. Hij heeft gewezen op de onduidelijke besluitvorming en stelt dat hij daardoor op het verkeerde been is gezet. Appellant is van opvatting dat de rechtbank een oordeel had moeten geven over de inhoudelijke gronden van zijn beroep.

4. Het college kan zich vinden in de aangevallen uitspraak. Het acht de door de rechtbank aangelegde toetsing in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad. Gewezen is op de uitspraak van 4 december 2003, TAR 2004, 85.

5. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.

5.1. Uit de onder 1. weergegeven feiten kan de Raad slechts afleiden dat appellant geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit van het college van 16 juli 2002, waarbij de salarisschaal voor appellant definitief is vastgesteld. Het definitieve karakter van die vaststelling blijkt met zoveel woorden uit de tekst van het besluit en uit de mededeling daarin van de bezwaarmogelijkheid. De Raad kan appellant dan ook niet volgen in zijn stelling dat hij op het verkeerde been is gezet.

5.2. Het recht op betaling van salaris overeenkomstig schaal 6 komt appellant in rechte slechts toe vanaf 1 december 2001. De afwijzing door het college van appellants verzoek om (na)betaling overeenkomstig schaal 6 vanaf 1998 behelst dan de weigering terug te komen van het in rechte onaantastbaar geworden besluit betreffende de vaststelling van salarisschaal 6 en de dienovereenkomstige salarisbetaling per 1 december 2001. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dan sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

5.3. De rechtbank heeft vervolgens de juiste toetsing aangelegd, waarvoor de Raad verwijst naar zijn onder 4. vermelde uitspraak. Hij is met de rechtbank van oordeel dat appellant in zijn aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. Aan een inhoudelijke beoordeling is de rechtbank dan ook terecht niet toegekomen en komt ook de Raad niet toe.

6. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.G. Treffers en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD