Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD5190

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
06-4977 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO/AAW-uitkering toe te kennen. Medische situatie meer dan 16 jaar na gestelde aanvang van arbeidsongeschiktheid niet met meer met zekerheid vast te stellen. Risico voor betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4977 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 juli 2006, 05/2476 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens heeft appellant nog enige brieven aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft vanaf 1975 enige tijd in Nederland arbeid in loondienst verricht. Vervolgens heeft hij in ieder geval in 1980 en 1982 een werkloosheidsuitkering ontvangen. In november 1982 is appellant Nederland uitgezet. Sindsdien woont hij weer in Marokko.

In 1999 heeft appellant via de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) een aanvraag om een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering ingediend. Het Uwv heeft appellant vervolgens in Marokko medisch laten onderzoeken door een algemeen arts en een psychiater. Na kennisneming van de rapportages van deze artsen heeft de verzekeringsarts L.J. Schaap geadviseerd dat bij appellant sprake is van beperkingen ten aanzien van nauwkeurigheid en autorijden en dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag

- arbitrair - vastgesteld kan worden op 1 januari 1986.

Bij besluit van 5 september 2003 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) of de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te kennen, omdat hij ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid in 1986 niet meer verzekerd was ingevolge die wetten.

Bij beslissing op bezwaar van 6 september 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts W.A. Faas die geen aanknopingspunten heeft gevonden om af te wijken van het advies van de verzekeringsarts.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, overwegende dat de (bezwaar)verzekeringsartsen op goede gronden hebben vastgesteld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellant is gelegen op 1 januari 1986. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de rapportage van de psychiater T. Saeyd van 10 oktober 1996, waarin wordt aangegeven dat appellant sinds een aantal jaren leidt aan schizofrenie en bij verscheidene psychiatrische ziekenhuizen in behandeling is geweest sinds 1986.

De Raad stelt voorop dat wanneer een betrokkene eerst geruime tijd na de aanvang van de gestelde arbeidsongeschiktheid een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering indient, naar vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld RSV 2004/140) het nadeel dat de medische situatie van betrokkene ten tijde van de verzekering mogelijk niet meer met zekerheid is vast te stellen voor zijn rekening en risico komt. Een zodanige situatie is in dit geval aan de orde, nu appellant zijn aanvraag om een WAO/AAW-uitkering meer dan 16 jaar na de door hem gestelde aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid heeft ingediend.

Bezien vanuit dit perspectief kan de Raad zich geheel verenigen met het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Daarbij merkt de Raad nog op dat aan de summiere verklaring van de arts Said Errahmani van 8 april 1991, inhoudende dat appellant sedert 1982 bekend is met en behandeld wordt voor een angstneurose, geen doorslaggevende betekenis toegekend kan worden nu onduidelijk is gebleven op welke gegevens deze mededeling is gebaseerd. Verder wijst de Raad er nog op dat op geen enkele wijze is gebleken dat bij appellant, voor hij in november 1982 Nederland is uitgezet, sprake was van psychische of andere klachten waardoor hij ongeschikt was werkzaamheden te verrichten.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2008.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) C. de Blaeij.

OA