Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4931

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
06-3565 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling dat re-integratie-inspanningen voldoende zijn geweest en akkoord zijn bevonden, houdt in een afwijzing van verzoek om werkgever loonsanctie op te leggen. Appellabel besluit. Beleid met betrekking tot opleggen minimumsanctie in strijd met WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3565 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 18 mei 2006, 05/658 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 18 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. N.A. Oude Elferink, werkzaam bij de Hout- en Bouwbond CNV te Breda een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2008.

Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. van Ogtrop en

mr. A.C. Arora. Betrokkene is verschenen bij gemachtigde mr. G.D. van der Heiden, werkzaam bij CNV Hout en Bouw.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was werkzaam als buis- en leidinglegger bij [werkgever] (hierna: de werkgever), toen hij op 3 oktober 2002 wegens psychische klachten en klachten van suikerziekte uitviel.

1.2. Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag heeft appellant bij besluit van

13 oktober 2003 aan betrokkene met ingang van 2 oktober 2003, in aansluiting op de wachttijd van 52 weken, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.

1.3. Bij brief van 21 juli 2003 is namens betrokkene aan appellant verzocht aan de werkgever de verplichting op te leggen om de loonbetaling na 3 oktober 2003 voort te zetten gedurende een door appellant te bepalen termijn.

1.4. In een arbeidskundig rapport van 12 september 2003 is vastgelegd dat de

re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende zijn geweest en dat het getoetste re-integratieverslag akkoord werd bevonden. Bij brief van 9 juni 2004 is betrokkene door appellant hiervan in kennis gesteld.

2. Namens betrokkene is bij brief van 20 juli 2004 tegen de inhoud van voormelde brief van 9 juni 2004 bezwaar gemaakt.

3. Bij besluit van 6 april 2005 (het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard en de beslissing van 9 juni 2004 gehandhaafd.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:12 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd.

De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellant niet had mogen volstaan met een beoordeling van de re-integratie-inspanningen van de werkgever op basis van de gedingstukken, doch een nader onderzoek bij de werkgever had dienen in te stellen.

5.1. De Raad overweegt het volgende.

5.2. Ingevolge artikel 34, derde lid, van de WAO, zoals dit luidde ten tijde in geding en voor zover hier van belang, dient de belanghebbende die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van een WAO-uitkering zijn aanvraag in binnen 9 maanden na aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid. Ingevolge artikel 34a, eerste lid, van de WAO, zoals dit luidde ten tijde in geding, gaat de aanvraag voor de toekenning van een WAO-uitkering vergezeld van een re-integratieverslag en beoordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) of de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

Op grond van artikel 71a, negende lid, van de WAO, stelt het Uwv, kort gezegd, indien bij de behandeling van de WAO-aanvraag en de beoordeling als bedoeld in artikel 34a blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond de in artikel 71a neergelegde verplichtingen niet of niet volledig is nagekomen of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, een tijdvak vast waarover de werkgever verplicht is tot loondoorbetaling. In dat geval wijst het Uwv op grond van artikel 34a, tweede lid, van de WAO, de aanvraag van een WAO-uitkering af.

5.3. In zijn uitspraak van 6 februari 2008 (LJN: BC4478) heeft de Raad beslist dat, indien een verzekerde bij zijn WAO-aanvraag aan het Uwv verzoekt om, in plaats van aansluitend op de wettelijke wachttijd een WAO-uitkering toe te kennen, de werkgever een loonsanctie op te leggen, hij daarmee een aanvraag doet als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het Uwv zal in dat geval een beslissing op dat verzoek dienen te nemen, waarin het op grond van zijn oordeel over de re-integratie-inspanningen van de werkgever al dan niet een loonsanctie oplegt. Deze beslissing is, ook indien het verzoek wordt afgewezen, een besluit als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb, waartegen bezwaar en beroep openstaat.

5.4. In het onderhavige geval is een dergelijk verzoek om een loonsanctie op te leggen bij voormelde brief van 21 juli 2003 gedaan. De brief van 9 juni 2004 van appellant moet dan ook worden aangemerkt als besluit tot afwijzing van dit verzoek, waartegen bezwaar openstond.

5.5. Anders dan de rechtbank is de Raad verder van oordeel dat het bestreden besluit, waarbij het bezwaar tegen het primaire besluit van 9 juni 2004 ongegrond is verklaard, in rechte stand houdt.

5.6. De Raad verwijst voor dit oordeel naar zijn uitspraak van 22 februari 2006 (LJN: AV2317). Daarin heeft de Raad vastgesteld dat volgens de beleidsregels die het Uwv op grond van het bepaalde in artikel 71a, tiende lid, van de WAO heeft opgesteld met betrekking tot de duur van de loondoorbetalingsverplichting in elke loonsanctie de minimumsanctie van vier maanden was vervat. Bij uitspraak van 20 december 2006 (LJN: AZ4979) heeft de Raad beslist dat het opleggen van deze minimumsanctie in strijd is met artikel 71a, negende lid, van de WAO en dat van het Uwv niet kan worden gevergd een dergelijk besluit te nemen.

5.7. Uit hetgeen is overwogen onder 5.5 en 5.6 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard. Hetgeen betrokkene heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de (Awb).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en

J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

RB