Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4926

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
06-521 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Niveau-eisen niet opvatten als strikte diploma-eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/521 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 december 2005, 05/2593 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Poiesz, advocaat te Gouda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Jongeneel, advocaat te Gouda. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.1. Appellant is op 18 november 2002 wegens rug- en polsklachten uitgevallen voor zijn werk als medewerker van een boomkwekerij.

1.2. Bij besluit van 15 januari 2004 heeft het Uwv aan appellant met ingang van

17 november 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts opnieuw de belastbaarheid van appellant beoordeeld, hetgeen heeft geleid tot een aanpassing op 15 december 2004 van de Functionele Mogelijkhedenlijst (hierna: FML) op het aspect geknield of gehurkt actief zijn. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige geconcludeerd dat de aan appellant voorgehouden functies onveranderd geschikt zijn te achten voor hem.

1.4. Bij besluit van 21 maart 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 15 januari 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv de rapportages van “De Gezonde Zaak” niet serieus heeft genomen, dat deze rapportages in onvoldoende mate bij de heroverweging zijn betrokken en indien zulks wel in voldoende mate zou zijn geschied, appellant meer en zwaarder beperkt zou zijn geacht dan is weergegeven in de FML van 15 december 2004. Voorts is door appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het verzoek tot benoeming van een deskundige heeft afgewezen. Tot slot is aangevoerd dat de aan appellant voorgehouden functies, gezien zijn beperkingen en zijn opleidingsniveau, niet geschikt voor hem zijn te achten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Anders dan appellant vindt de Raad in de rapporten van de “De Gezonde Zaak” geen aanknopingspunten om het standpunt te onderschrijven dat deze rapporten zijn opgesteld door een multidisciplinair team, bestaande uit een orthopedisch chirurg, een psycholoog en een reïntegratietherapeut en dat om die reden aan die rapporten doorslaggevende waarde moet worden toegekend. Daarnaast blijkt uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 15 december 2004 dat hij opnieuw de belastbaarheid van appellant heeft beoordeeld, mede aan de hand van een op 25 februari 2004 uitgebracht eindrapport van “De Gezonde Zaak”. In dit rapport is vermeld dat appellant beperkt is ten aanzien van de aspecten langdurig zitten, tillen en dragen, duwen en trekken en gehurkt of gebukt werken. De bezwaarverzekeringsarts heeft in dit verband appellant, naast de reeds door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen, alsnog beperkt geacht op het aspect geknield en gehurkt actief zijn. De Raad heeft geen redenen om tot het oordeel te komen dat de bevindingen van “De Gezonde Zaak” in onvoldoende mate bij de heroverweging in bezwaar zijn betrokken.

4.2. Voorts is de Raad van oordeel dat uit de stukken niet is gebleken dat appellant meer of zwaarder beperkt is dan door de bezwaarverzekeringsarts is weergegeven in de FML van 15 december 2004. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts zijn oordeelsvorming heeft gebaseerd op zijn bevindingen tijdens de hoorzitting, de in het dossier aanwezige op appellant betrekking hebbende stukken, alsmede op informatie van de behandelende sector.

4.3. Gelet op het feit dat er ten aanzien van de medische beperkingen van appellant geen discrepanties zijn aangetroffen tussen het eindrapport van “De Gezonde Zaak” en de aangepaste FML van 15 december 2004, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen.

5. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad van oordeel dat appellant met inachtneming van de vastgestelde medische beperkingen de geduide functies van controleur, tester, machinaal metaalbewerker en elektronica monteur moet kunnen vervullen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in de zogeheten notitie functiebelasting en in de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van

15 december 2004 en 4 juli 2005 genoegzaam is gemotiveerd om welke reden de geduide functies geschikt zijn te achten, gegeven de daaraan verbonden belasting en de functionele mogelijkheden van appellant. Anders dan namens appellant is gesteld is zulks ook het geval ten aanzien van de te maken schroefbewegingen in de functies van controleur, tester en elektronica monteur.

5.1. In dit verband merkt de Raad nog op dat het standpunt dat de belasting in evengenoemde functies de belastbaarheid van appellant te boven gaat omdat in die functies in onvoldoende mate het zitten kan worden afgewisseld met staan of lopen, in de kern erop neerkomt dat de ten aanzien van appellant aangenomen belastbaarheid, op het aspect afwisseling van houding als vastgelegd in de FML, onjuist is vastgesteld. De Raad heeft hiervoor al geoordeeld de FML niet onjuist te achten. De Raad acht het bovendien in de situatie dat in de geduide functies maximaal 60 minuten aaneengesloten wordt gezeten, maximaal 15 minuten aaneengesloten wordt gestaan en maximaal 5 minuten aaneengesloten wordt gelopen, genoegzaam aannemelijk dat in die functies in voldoende mate sprake is van de mogelijkheid tot afwisselen van houding.

5.2. Ook ten aanzien van het functie- en opleidingsniveau van de geduide functies kan de Raad het oordeel van de rechtbank onderschrijven. Blijkens het zogeheten resultaat eindselectie geldt voor de functie van controleur, tester electrotechnische apparatuur het functieniveau 4 en opleidingsniveau 3, waarbij de voor die functie gevraagde opleiding VMBO-niveau/theoretische leerweg is en er geen ervaring in de functie is vereist. Nu de Raad reeds eerder heeft geoordeeld dat de hier bedoelde niveau-eisen niet opgevat moeten worden als strikte diploma-eisen (zie onder meer de uitspraak van de Raad van

24 oktober 1997 in zaak 96/2002 AAW/WAO, LJN ZB7248), vermag de Raad mede in het licht van het feit dat appellant in Marokko vier jaar middelbaar onderwijs op MAVO-niveau heeft genoten niet in te zien dat zijn opleidingsniveau ontoereikend zou zijn voor de functie van controleur, tester.

6. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

JL