Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4920

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
08/1861 AW-VV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Onverwijld spoedeisend belang? Overplaatsing naar andere vestiging. Rehabilitatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1861 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker],

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 14 maart 2007, 06/1391 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Stichting Consent (hierna: stichting)

Datum uitspraak: 24 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de stichting op 5 juli 2007 een nieuw besluit op bezwaar genomen. De rechtbank Almelo heeft het ingestelde beroep van verzoeker tegen dat besluit naar de Raad doorgezonden.

Verzoeker heeft op 20 maart 2008 een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Met toepassing van artikel 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat op grond van de gedingstukken uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker was werkzaam als groepsleerkracht op de openbare basisschool (obs) [vestigingsplaats 1]. In februari 2005 is een conflict ontstaan tussen verzoeker en de moeder van een leerling uit verzoekers klas omtrent het gedrag van de leerling. Als gevolg van dit conflict en daarop volgende gebeurtenissen zijn de verhoudingen tussen verzoeker en de directeur verstoord. Volgens de stichting is er een gebrek aan vertrouwen tussen verzoeker en de directeur ontstaan. Verzoeker, die zich inmiddels had ziek gemeld, heeft zijn werkzaamheden op de school niet meer hervat. Naar het oordeel van de bedrijfsarts en vervolgens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen was verzoeker op 25 augustus 2005 niet (langer) arbeidsongeschikt op grond van ziekte, maar op grond van een arbeidsconflict.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 19 oktober 2006 is verzoeker met toepassing van artikel 10.6 van de CAO Primair Onderwijs (hierna: CAO) ingaande 1 november 2006 overgeplaatst naar de obs [vestigingsplaats 2]. Tevens is in dat besluit opgenomen dat rehabilitatie zal plaatsvinden. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, dat besluit vernietigd en bepaald dat de stichting een nieuwe beslissing op bezwaar neemt. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat er sprake was van een conflictsituatie als bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, van de CAO en dat overplaatsing noodzakelijk was om tot werkbare verhoudingen te komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de stichting echter bij het overplaatsingsbesluit in strijd met het vierde en vijfde lid van artikel 10.6 gehandeld door de belangen van verzoeker onvoldoende in de besluitvorming te betrekken. Het aanbod van de stichting om het nadeel dat verzoeker ondervindt van de overplaatsing te compenseren, achtte de rechtbank ontoereikend.

2.1. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Hij is van mening dat de rechtbank in die uitspraak ten onrechte niet is ingegaan op een aantal door hem aangevoerde geschilpunten en ook bepaalde vorderingen onbesproken heeft gelaten.

2.2. De stichting heeft in de uitspraak berust en op 5 juli 2007 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij verzoeker met ingang van 20 augustus 2007 is overgeplaatst naar de obs [vestigingsplaats 3] zonder, zoals door verzoeker gevraagd, een feitenonderzoek in te stellen naar de gebeurtenissen rondom het conflict met de moeder. Wel heeft de stichting zich nogmaals bereid getoond om in overleg met verzoeker te komen tot een rehabilitatie van verzoeker, waartoe de stichting een voorstel heeft gedaan.

2.3. Verzoeker heeft op 15 augustus 2007 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld bij de rechtbank, welk beroep, ingevolge artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, op 20 augustus 2007 aan de Raad is doorgezonden. Op 20 maart 2008 heeft verzoeker de gronden ingediend waarop zijn beroep berust. Tevens heeft verzoeker om een voorlopige voorziening verzocht.

2.4. Verzoeker vraagt om schorsing van het besluit van 5 juli 2007, een en ander onder opschorting van de arbeidsplicht, totdat in de hoofdzaak is beslist. Tevens vraagt verzoeker de stichting op te dragen op zeer korte termijn een onafhankelijk feiten- onderzoek te laten instellen en daarbij te bepalen dat de uitkomst van dit onderzoek uiterlijk in week 22 van dit kalenderjaar bekend moet zijn. Ook moet de stichting verzoeker, met inachtneming van de uitkomst van voornoemd feitenonderzoek en de diverse gerechtelijke vonnissen, volledig en publiekelijk rehabiliteren, waarbij de voorzieningenrechter dient te bepalen dat deze rehabilitatie uiterlijk in week 25 van dit kalenderjaar schriftelijk ter kennis wordt gebracht aan alle ouders van de leerlingen van de obs [vestigingsplaats 1] en tevens aan de ouders van de ex-leerlingen die sedert het schooljaar 2005/2006 die school hebben verlaten.

2.5. Ter ondersteuning van zijn spoedeisend belang heeft verzoeker aangegeven sedert 24 oktober 2007 in een nijpende financiƫle situatie te verkeren, omdat hij inmiddels door de stichting is ontslagen wegens het geen gehoor geven aan oproepen tot werkhervatting bij de obs [vestigingsplaats 3]. Dit ontslag is door (de voorzieningenrechter van) de rechtbank, uitgaande van de rechtmatigheid van het overplaatsingsbesluit, bij uitspraak van 4 februari 2008 in stand is gelaten. Ten aanzien van het door de stichting te entameren onderzoek heeft verzoeker aangevoerd dat de desbetreffende leerling inmiddels in groep 8 zit en aan het einde van het schooljaar de school gaat verlaten, evenals de andere leerlingen uit de groep waar destijds de affaire met de moeder heeft gespeeld. Een rehabilitatie per nieuw schooljaar (of later) zal deze jaargang niet meer bereiken, dan wel door de betrokken ouders als niet meer interessant worden aangemerkt.

3. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ook indien, zoals in dit geval, in een aanhangig hoger beroep met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19 van de Awb - naar alle waarschijnlijkheid - mede betrokken zal worden een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nieuw besluit waarmee niet is tegemoetgekomen aan het bezwaar van de belanghebbende, kan ter zake van dat besluit de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4. Het verzoek om schorsing van het besluit van 5 juli 2007

4.1. In hetgeen verzoeker hieromtrent heeft gesteld, ziet de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang. De te beantwoorden vraag is dan of het in redelijke mate waarschijnlijk is dat de overplaatsing van verzoeker naar de obs [vestigingsplaats 3] in rechte houdbaar is. Daarbij wordt opgemerkt dat een oordeel hierover een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.2. Aan het overplaatsingsbesluit ligt ten grondslag dat er sprake is van een conflictsituatie tussen verzoeker en de directeur van de obs [vestigingsplaats 1] en dat overplaatsing noodzakelijk is om tot een werkbare situatie te komen. De stichting heeft ervoor gekozen om verzoeker over te plaatsen en niet de directeur. Hierbij heeft de stichting overwogen dat er voor de directeur binnen de stichting geen passende functie beschikbaar is, dat de organisatie en ontwikkeling van de obs [vestigingsplaats 1] belemmerd zouden worden indien de directeur zou worden overgeplaatst en dat het moeilijk is een adequate vervanging te realiseren.

4.3. Ook voor de voorzieningenrechter staat vast dat er sprake was van een conflictsituatie, die tot overplaatsing noopte. Dat daarbij de keuze is gevallen op verzoeker en niet op de directeur, komt de voorzieningenrechter, gezien de daarvoor door de stichting aangevoerde redenen, op voorhand niet onhoudbaar voor. Niet gezegd kan worden dat daarbij onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van verzoeker. De voorzieningenrechter heeft daarbij in ogenschouw genomen dat de stichting zich heeft gerealiseerd in het verleden in gebreke te zijn gebleven voor wat betreft de bescherming van verzoeker en de berichtgeving naar derden en dat aan de overplaatsing een deugdelijke informatieverschaffing naar de betrokkenen vooraf zal moeten gaan. De stichting was bereid daarover met verzoeker in overleg te treden omtrent de inhoud van een rehabilitatiebrief. De tussen verzoeker en de stichting bestaande geschilpunten behoefden naar het oordeel van de voorzieningenrechter werkhervatting op de obs [vestigingsplaats 3] niet in de weg te staan.

4.4. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot schorsing van het besluit van 5 juli 2007.

5. Het opdragen van een onderzoek

5.1. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de stichting, voordat kan worden overgegaan tot volledige rehabilitatie, het gehele feitencomplex dient te (laten) onderzoeken, omdat zonder kennis en vaststelling van (de juistheid van) deze feiten een adequate rehabilitatie niet kan plaatsvinden.

5.2. Naar aanleiding van de gestelde spoedeisendheid door verzoeker zoals hiervoor weergegeven onder 3., stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker reeds vanaf augustus 2007 ermee bekend kon zijn dat de betreffende leerling in de hoogste groep zit en naar verwachting de school aan het einde van het schooljaar 2007/2008 zal verlaten. Niet valt in te zien waarom van verzoeker, gezien het door hem gestelde belang daarbij, niet verlangd kon worden eerder een voorlopige voorziening te vragen.

De door verzoeker gestelde termijn waarbinnen het onderzoeksresultaat bekend dient te zijn, acht de voorzieningenrechter thans te kort voor een in opdracht van de stichting uit te voeren zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek, zoals door verzoeker voorgestaan, nog daargelaten dat betwijfeld kan worden of een verdergaand onderzoek dan reeds is gedaan noodzakelijk is te achten. Bovendien ziet de voorzieningenrechter vooralsnog niet in waarom de rehabilitatie van verzoeker niet na afloop van het huidige schooljaar zou kunnen plaatsvinden. Ook in dat geval is het geenszins onmogelijk om de direct betrokkenen van destijds daarvan in kennis te stellen. De voorzieningenrechter tekent hierbij aan dat het hoger beroep van verzoeker naar verwachting in het najaar van 2008 door de Raad zal worden behandeld.

5.3. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter onvoldoende spoedeisend belang voor verzoeker tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.

6. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

RH