Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4919

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
06-4741 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidskundige component schatting niet aan merken als zelfstandig deelbesluit. Deugdelijke arbeidskundige grondslag? Lijst met normaalwaarden inclusief interpretatiekader hoeft niet verstrekt te worden. Voldoende als alle signaleringen worden toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4741 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 juli 2006, 06/943 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

appellant.

Datum uitspraak: 4 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A. Faber-Speksnijder, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J.J.M. van Eijk. Namens betrokkene is verschenen mr. Faber-Speksnijder.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is werkzaam geweest als projectadministrateur. Op 3 juni 2002 is zij voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens vermoeidheidsklachten, concentratiestoornissen en depressieve klachten. In aansluiting op de toenmalige wachttijd van 52 weken is aan betrokkene een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Op 4 juli 2005 is betrokkene onderzocht door de verzekeringsarts. Deze heeft vastgesteld dat betrokkene op psychisch vlak verminderd belastbaar is en dat zij ook beperkt is met betrekking tot fysiek zwaar werk. De verzekeringsarts heeft de voor betrokkene aangenomen beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).

1.3. Aan de hand van deze FML heeft de arbeidsdeskundige functies voor betrokkene geselecteerd met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssyteem (CBBS). Op 28 juli 2005 heeft de arbeidsdeskundige gerapporteerd dat, gezien de aan deze functies te ontlenen loonwaarde, de mate van arbeidsongeschiktheid moet worden vastgesteld op 35 tot 45%.

1.4. Bij besluit van 8 augustus 2005 heeft appellant de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 29 september 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.5. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts op 12 december 2005 gerapporteerd dat de medische beperkingen van betrokkene in de FML juist zijn weergegeven. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige op 11 januari 2006 een rapport uitgebracht, waarin als conclusie is vermeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 35 tot 45%.

1.6. Bij besluit van 12 januari 2006 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 8 augustus 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat de medische beperkingen van betrokkene door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts onjuist zijn ingeschat. Met betrekking tot de arbeidskundige kant van het besluit van 12 januari 2006 heeft de rechtbank erop gewezen dat ten tijde van het nemen van dit besluit geen overzicht was verstrekt van de normaalwaarden inclusief interpretatiekader en dat evenmin alle voorkomende signaleringen waren toegelicht. In verband hiermee heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en heeft zij het arbeidskundige gedeelte van het besluit van 12 januari 2006 vernietigd. Hierbij heeft de rechtbank het Uwv de opdracht gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van de aangevallen uitspraak. Tot slot heeft de rechtbank beslissingen gegeven met betrekking tot de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een overzicht van normaalwaarden inclusief interpretatiekader had moeten worden verstrekt. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de vernietiging van uitsluitend het arbeidskundige deel van het besluit van 12 januari 2006 niet in overeenstemming is met de jurisprudentie van de Raad. Appellant heeft voorts aangegeven dat de geschiktheid van de geselecteerde functies pas in hoger beroep volledig is gemotiveerd met een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 19 februari 2007. Door appellant is verzocht om, bij gegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 12 januari 2006 en vernietiging van dat besluit, de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten.

3.2. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat ook met de in hoger beroep door appellant gegeven toelichting onvoldoende is gemotiveerd dat zij de aan haar voorgehouden functies kan vervullen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met verwijzing naar zijn uitspraken van 16 maart 2005, LJN: AT1852, 23 januari 2008, LJN: BC2880 en 13 mei 2008, LJN: BD1231 overweegt de Raad allereerst dat, zoals ook het Uwv heeft aangevoerd, de arbeidskundige component van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet is aan te merken als een zelfstandig deelbesluit. Bij de uitspraak van 13 mei 2008 heeft de Raad hieraan toegevoegd dat een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling derhalve ook niet bestaat uit onderdelen van een besluit zoals bedoeld in (de wetsgeschiedenis van) artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zoals de Raad in de hiervoor vermelde uitspraken heeft overwogen, betekent dit dat voor gedeeltelijke vernietiging geen plaats is. Reeds hierom kan de aangevallen uitspraak geen stand houden.

4.2. Vervolgens is de vraag aan de orde of het besluit van 12 januari 2006 op een deugdelijke arbeidskundige grondslag berust.

4.3. Het oordeel van de rechtbank dat een toereikende inzichtelijkheid en toetsbaarheid van een schatting die met behulp van het CBBS tot stand is gekomen slechts wordt bereikt als een lijst met normaalwaarden inclusief interpretatiekader wordt verstrekt, vindt geen steun in de rechtspraak van de Raad. Hierbij wijst de Raad op zijn uitspraak van 22 februari 2008, LJN: BC4826.

4.4. De medische geschiktheid van de geselecteerde functies is in de loop van de procedure in diverse rapporten toegelicht. Met het hiervoor vermelde rapport van 19 februari 2007 zijn alsnog alle signaleringen met een G toegelicht. De Raad is van oordeel dat er, gezien de diverse toelichtingen en uitgaande van de voor betrokkene vastgestelde belastbaarheid, voldoende geschikte functies zijn waarop de schatting kan worden gebaseerd. Hetgeen de gemachtigde van betrokkene in dit verband ter zitting van de Raad naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanleiding gegeven voor een ander oordeel.

5. Gelet op het onder 4.1 tot en met 4.4 overwogene moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd voor zover daarbij het arbeidskundige gedeelte van het besluit van 12 januari 2006 is vernietigd, het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak, en het besluit van 12 januari 2006 voor het overige in stand is gelaten. Dit betekent dat de gegrondverklaring van het beroep en de beslissingen ter zake van het griffierecht en de proceskosten in stand blijven. Doende hetgeen de rechtbank voor het overige had behoren te doen, zal de Raad vervolgens het besluit van 12 januari 2006 geheel vernietigen en bepalen dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand blijven.

6. De Raad heeft aanleiding gezien om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het arbeidskundige gedeelte van het besluit van 12 januari 2006 is vernietigd, het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak en het besluit van 12 januari 2006 voor het overige in stand is gelaten;

Vernietigt het besluit van 12 januari 2006 geheel;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van der Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. van der Vos.

JL