Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4914

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
06-6311 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering (verdere) ZW-uitkering. Geschikt voor eigen arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6311 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2006, 06/946 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.P. van Elswijk, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2008.

Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als eindcontroleur in een naaiatelier voor 40 uur per week, heeft zich, vanuit een situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, op 5 januari 2005 ziek gemeld met spannings(hoofdpijn)klachten, rug- en schouderklachten. Zij is verschillende keren onderzocht, voor het laatst op 12 december 2005 en 9 januari 2006 door verzekeringsarts H. Sadik. Mede op basis van informatie van huisarts F.E.E. van der Does van 26 april 2005, waaruit naar voren komt dat sprake is van migraineachtige en spierspanninggerelateerde klachten, constateerde genoemde verzekeringsarts dat geen sprake is van een objectief vast te stellen ziekte of gebrek. Daarbij is aangegeven dat geen sprake is van bewegingsbeperkingen van nek, schouder, rug of heupen. Aansluitend is appellante met ingang van 11 januari 2006 arbeidsgeschikt verklaard voor haar eigen arbeid. Bij besluit van 9 januari 2006 is appellante met ingang van 11 januari 2006 een (verdere) uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd.

1.2. In het kader van de bezwaarprocedure is appellante op 3 februari 2006 onderzocht door bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe. In zijn rapport van 9 februari 2006 concludeerde deze verzekeringsarts dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. Bij het bestreden besluit van 23 februari 2006 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 januari 2006 ongegrond verklaard.

1.3. In het kader van de beroepsprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 28 april 2006 zijn standpunt nader toegelicht. Appellante heeft informatie ingebracht van de Bavo RNO, waaronder een verslag van een psychiatrische screening van M. Goetgebuer van 12 mei 2006.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is aangevoerd dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest, omdat geen nadere informatie is ingewonnen bij de behandelend sector. Van appellante kon, gelet op haar psychische en sociale beperkingen, in redelijkheid niet worden verwacht dat zij zelf nadere medische informatie bij de Bavo RNO zou opvragen. Ook is het zeer ongebruikelijk dat medici aan patiënten zelf medische verklaringen afgeven. Voorts zegt het verslag van de psychiatrische screening, waaruit naar voren komt dat appellante lijdt aan een depressieve stoornis met chronisch verloop, wel degelijk iets over de psychische toestand van appellante op de datum in geding. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante informatie ingebracht van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) van 27 november 2006. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 17 december 2007 zijn standpunt nader toegelicht.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.2. Op grond van vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ongeschiktheid in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van zijn arbeid. Onder ‘zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk.

4.3. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en onderschrijft de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad voegt hieraan toe dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapporten van 9 februari 2006 en 28 april 2006 voldoende gemotiveerd heeft uiteengezet dat er geen aanleiding was voor het opvragen van nadere informatie bij de behandelend sector. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts over informatie van de huisarts beschikte. Voorts heeft appellante haar stelling dat zij vanwege haar psychische en sociale beperkingen niet in staat is geweest om medische informatie op te vragen bij haar behandelaars en dat het opvragen van medische informatie door patiënten zelf ook heel ongebruikelijk zou zijn, op geen enkele wijze onderbouwd of aannemelijk gemaakt.

4.4. De Raad ziet verder in de door appellante in beroep ingebrachte medische informatie van de Bavo RNO onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 17 december 2007 met betrekking tot deze informatie, waaronder voormeld verslag van een psychiatrische screening, voldoende gemotiveerd aangegeven waarom hij hierin geen aanleiding ziet om af te wijken van zijn standpunt. Daarbij merkt de Raad op dat bedoelde informatie niet wijst op bij appellante bestaande psychopathologie in engere zin ten tijde van de datum in geding. De in hoger beroep ingebrachte informatie van het CIZ kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden, reeds niet vanwege het feit dat deze informatie niet van medische aard is.

4.5. Gelet op het onder 4.1 tot en met 4.4 overwogene heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante met ingang 11 januari 2006 niet (langer) ongeschikt was voor haar werk. Hieruit volgt dat appellante terecht een (verdere) uitkering ingevolge de ZW is geweigerd.

4.6. De Raad komt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2008.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) J. Verrips.

GdJ