Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4886

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
20-06-2008
Zaaknummer
07-1600 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting door onjuiste gegevens te verstrekken over woonadres, en dat daardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1600 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 januari 2007, 06/1294 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Zennipman, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2008. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende, hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sinds 10 maart 2005 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Op 16 juni 2005 heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend in de kosten van woninginrichting. Naar aanleiding van deze aanvraag hebben twee bijstandsconsulenten van de gemeente ’s-Gravenhage meerdere keren vergeefs getracht een huisbezoek af te leggen op het door appellant opgegeven woonadres. Aan appellant is daarop bij brief van 22 juli 2005 verzocht vóór 29 juli 2005 contact op te nemen met zijn bijstandsconsulent. Vervolgens is op 1 augustus 2005 wederom een huisbezoek afgelegd bij appellant. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 2 augustus 2005.

Bij besluit van 9 augustus 2005 heeft het College naar aanleiding daarvan de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2005 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door onjuiste gegevens te verstrekken over zijn woonadres, en dat daardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Voorts heeft het College bij besluit van 21 oktober 2005 de bijstand van appellant op diezelfde grond herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 10 maart 2005 tot en met 31 juli 2005 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.568,62 van hem teruggevorderd. Ten slotte heeft het College bij besluit van 31 oktober 2005 om dezelfde reden aan appellant een maatregel opgelegd van 20% verlaging van de bijstand indien hij binnen twaalf maanden na 31 oktober 2005 recht op bijstand zou krijgen.

Bij besluit van 4 januari 2006 heeft het College de bezwaren tegen de voormelde besluiten ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 januari 2006 - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover het betreft de opgelegde maatregel, het bezwaar op dit punt niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van dat besluit.

De rechtbank heeft ten aanzien van de intrekking van de bijstand per 1 augustus 2005 geoordeeld dat het College op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat niet aannemelijk is dat appellant zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat tijdens het huisbezoek van 1 augustus 2005 is geconstateerd dat in de woning geen voedsel, bord, bestek of een beker aanwezig was. Verder werd slechts een kleine stapel post aangetroffen, ontbrak appellants administratie en stond er in de slaapkamer een lege kledingkast. Uit nader onderzoek vanwege het College is voorts gebleken dat het gas-, elektriciteits- en waterverbruik van appellant veel lager was dan gemiddeld. De verklaring van appellant dat hij zuinig is met water en niet in het bezit is van huishoudelijke apparaten achtte de rechtbank onvoldoende om de grote verschillen tussen het gemiddelde verbruik en het verbruik op het woonadres van appellant te verklaren.

Het hoger beroep is beperkt tot het oordeel van de rechtbank ter zake van intrekking per 1 augustus 2005 en de intrekking en terugvordering over de periode 10 maart 2005 tot en met 31 juli 2005.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat in vergelijking met zijn stellingen in bezwaar en beroep geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.