Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4815

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
07-1000 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift aan de rechtbank zenden ter behandeling als beroepschrift?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1000 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 januari 2007, 05/1570 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 19 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Overloop, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2008. Appellant is daarbij met kennisgeving niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft in april 1999 aan de Svb verzocht vanaf 1989 kinderbijslag krachtens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aan hem toe te kennen voor een vijftal kinderen geboren uit het huwelijk met zijn eerste echtgenote.

Bij besluit van 12 februari 2001 heeft de Svb aan appellant bericht dat zijn aanvraag om kinderbijslag met een maximale terugwerkende kracht van één jaar kan worden beoordeeld. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is aanvankelijk bij beslissing op bezwaar van 9 april 2002 ongegrond verklaard, doch dit besluit is ter zitting van de rechtbank van 21 mei 2003 door de Svb ingetrokken wegens gebrek aan een deugdelijke motivering.

Bij nieuwe beslissing op bezwaar van 20 december 2004, verzonden aan de gemachtigde van appellant, heeft de Svb het bezwaar van appellant ongegrond verklaard voor wat betreft de mate van terugwerkende kracht en het recht op kinderbijslag voor de kinderen [Z.], [R.] en [N.] over het tweede kwartaal van 1998 tot en met het vierde kwartaal van 2000. Voorts is het bezwaar van appellant gegrond verklaard voor [H.] en [A.] over het tweede en derde kwartaal van 1998. Bij brieven van 27 december 2004, verzonden aan appellant, heeft de Svb over het tweede en derde kwartaal van 1998 kinderbijslag toegekend voor [H.] en [A.], waarbij tevens is opgemerkt dat voor de andere kinderen het recht op kinderbijslag niet is gewijzigd.

Bij brief van 12 januari 2005 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de twee beslissingen van 27 december 2004. Daarbij heeft appellant opgemerkt dat hij kinderbijslag wil ontvangen vanaf 1989 voor al zijn kinderen.

De Svb heeft bij beslissing op bezwaar van 7 februari 2005 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat de beslissingen van 27 december 2004 geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu bij de beslissing op bezwaar van 20 december 2004 reeds een beslissing was genomen over het recht op kinderbijslag voor [H.] en [A.].

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat het bezwaarschrift kennelijk was gericht tegen het besluit op bezwaar van 20 december 2004 en dat de Svb dit door had moeten zenden aan de rechtbank ter behandeling als beroepschrift.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad stelt vast dat de Svb de besluitvorming naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft gesplitst, nu bij de beslissing op bezwaar van 20 december 2004 het bezwaar van appellant gegrond is verklaard ten aanzien van de aanspraak op kinderbijslag voor [H.] en [A.] over het tweede en derde kwartaal van 1998, maar het (primaire) besluit van 12 februari 2001 in zoverre niet is herroepen. Eerst bij de besluiten van 27 december 2004 heeft de Svb over voornoemde kwartalen kinderbijslag aan appellant toegekend voor [H.] en [A.]. De besluitvorming van de Svb in bezwaar was dus pas voltooid nadat de besluiten van 27 december 2004 waren genomen. De Raad is van oordeel dat beide besluiten tezamen de beslissing op bezwaar tegen het besluit van 12 februari 2001 vormen.

Dit betekent dat het door appellant gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 27 december 2004 mede is gericht tegen het besluit van 20 december 2004 en dat het bezwaarschrift van 12 januari 2005, in ieder geval op deze grond, door de Svb als beroepschrift had moeten worden doorgezonden naar de rechtbank.

Voorts merkt de Raad - ten overvloede - nog op dat in het bezwaarschrift van appellant van 12 januari 2005 weliswaar wordt verwezen naar de beslissingen van 27 december 2004 maar dat dit bezwaar blijkens de inhoud ervan duidelijk betrekking heeft op de aanspraak van appellant op kinderbijslag over diverse kwartalen gelegen vóór het tweede kwartaal van 1998 voor alle kinderen. De beslissingen van 27 december 2004 hebben geen betrekking op die kwartalen en ook niet op de overige (drie) kinderen van appellant, terwijl het besluit (op bezwaar) van 20 december 2004 daarop wel betrekking heeft. Nu de termijn voor het instellen van beroep tegen laatstgenoemd besluit ten tijde van de ontvangst van het bezwaarschrift op 25 januari 2005 nog niet was verstreken had de Svb dit ook op deze grond moeten doorzenden aan de rechtbank ter behandeling als beroepschrift.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit geen stand kunnen houden en vernietigd dienen te worden. De Svb dient het bezwaarschrift van 12 januari 2005 alsnog met toepassing van artikel 6:15 van de Awb aan de rechtbank te zenden ter behandeling als beroepschrift.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan appellant. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten in eerste aanleg is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- te betalen door de Sociale verzekeringsbank;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde griffierecht ad € 142,-- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2008.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) C. de Blaeij.

AR