Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4759

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
07/2907 WWB, 08/3400 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering. Woningdeler? Schending inlichtingenverplichting. Deugdelijke motivering? Schadevergoeding na vernietiging besluit door rechtbank?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2907 WWB

08/3400 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 11 mei 2007, 06/856 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het College heeft een nieuw besluit op bezwaar aan de Raad gezonden. Appellant heeft hierop schriftelijk gereageerd.

De zaak is aan de orde gesteld op de zitting van 7 mei 2008. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Over de periode van 1 augustus 2005 tot 1 januari 2006 heeft appellant een gemeentelijke toeslag ontvangen van 20%.

Op 3 januari 2006 heeft appellant de Dienst Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen (hierna: SZW) bericht dat hij per 1 januari 2006 niet meer woningdelend is. Naar aanleiding daarvan heeft het College onderzoek gedaan naar (de omvang van) het recht op bijstand van appellant. Op basis van het resultaat van dit onderzoek heeft het College bij besluit van 30 maart 2006 de bijstand van appellant over de periode van 26 augustus 2005 tot en met 30 september 2005 en van 6 oktober 2005 tot en met 23 december 2005 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB herzien. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant over die tijdvakken de kosten van het bestaan (gedeeltelijk) kon delen met een ander en dat daarmee bij de berekening van de bijstand geen rekening was gehouden. Tevens heeft het College bij dat besluit de kosten van de over deze tijdvakken verleende bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 524,18.

Bij besluit van 9 juni 2006 heeft het College de tegen het besluit van 30 maart 2006 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een bepaling omtrent het griffierecht, het beroep tegen het besluit van 9 juni 2006 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft overwogen dat niet kan worden vastgesteld of het College met betrekking tot de herziening van de bijstand de juiste wettelijke grondslag heeft gehanteerd. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat herziening op basis van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB pas aan de orde is als vaststaat dat geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij is nagelaten een oordeel te geven over de verzochte schadevergoeding.

Het College heeft in de aangevallen uitspraak berust, en ter uitvoering van die uitspraak op 22 juni 2007 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Aan de herziening van de bijstand is alsnog het bepaalde in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB ten grondslag gelegd, aangezien appellant volgens het College zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling en zal daarbij, gelet op de artikelen 6:18, eerste lid, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens het besluit van 22 juni 2007 betrekken.

Ten aanzien van de aangevallen uitspraak

De Raad begrijpt de aangevallen uitspraak aldus dat de rechtbank heeft geweigerd aan appellant schadevergoeding toe te kennen. Daarover overweegt de Raad in de eerste plaats dat uit de aangevallen uitspraak volgde dat het College een nieuw besluit moest nemen op het bezwaar tegen het besluit van 30 maart 2006. Gelet daarop kon de rechtbank nog niet vaststellen of appellant door de besluitvorming met betrekking tot de herziening en de terugvordering van de bijstand (uiteindelijk) in materiële zin schade - bijvoorbeeld gelegen in wettelijke rente - zou lijden, zodat in zoverre op het schadeverzoek niet definitief kon worden beslist. In hetgeen appellant in beroep voor het overige heeft aangevoerd over de door hem beweerdelijk geleden materiële en immateriële schade hoefde de rechtbank naar het oordeel van de Raad geen aanleiding te zien voor het toekennen van schadevergoeding, aangezien het schadeverzoek - mede gezien in relatie tot de zeer aanzienlijke hoogte van de gevorderde bedragen - in zoverre onvoldoende met objectieve en verifieerbare gegevens was onderbouwd. Daarbij heeft appellant wat betreft de door hem gestelde immateriële schade niet aannemelijk gemaakt dat hij zodanig onder het door de rechtbank vernietigde besluit heeft geleden dat sprake was van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het BW.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het besluit van 22 juni 2007

Appellant bestrijdt dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. De Raad kan appellant daarin volgen. Uit de gedingstukken blijkt immers het volgende. Op 1 september 2005 heeft appellant aan SZW gemeld dat hij per 1 september 2005 weer woningdelend is omdat mevrouw [D.] bij hem een kamer huurt. Op 12 september 2005 heeft hij SZW bericht dat mevrouw [D.] niet langer bij hem onderhuurt. Bij brief van 5 oktober 2005 heeft appellant aan SZW doorgegeven dat hij weer woningdelend is. Ten slotte heeft appellant op 3 januari 2006 gemeld dat hij vanaf 1 januari 2006 niet langer woningdelend is. In dit verband overweegt de Raad dat de rechtbank onherroepelijk heeft vastgesteld dat er geen aanleiding is het College te volgen in zijn stelling dat appellant de desbetreffende stukken heeft gemanipuleerd.

Dat betekent dat het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 22 juni 2007, voor zover het ziet op de herziening van de bijstand, niet berust op een deugdelijke grondslag. De Raad zal het beroep voor zover dat geacht wordt te zijn gericht tegen dat besluit gegrond verklaren en het herzieningsbesluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen.

De Raad ziet vervolgens aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit 22 juni 2007 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. Hij overweegt daartoe het volgende. Het College heeft, mede aan de hand van de gegevens van de GBA, de tijdvakken vastgesteld waarover appellant ten onrechte een toeslag van 20% (in plaats van de wel juiste toeslag van 12%) ontving. De vaststelling van deze tijdvakken is als zodanig niet betwist. Over die tijdvakken is aan appellant tot een te hoog bedrag bijstand verleend, omdat geen rekening is gehouden met het feit dat hij de kosten van het bestaan (gedeeltelijk) met een ander kon delen. Het College was op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB dan ook bevoegd tot herziening van de bijstand over die tijdvakken. Niet is gebleken dat het College de herziening van de bijstand onjuist heeft berekend.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat het College ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was tot terugvordering van de teveel verleende bijstand.

Het College heeft gehandeld overeenkomstig zijn, door de Raad niet onredelijk geachte, beleid met betrekking tot intrekking en terugvordering. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van zijn beleid had behoren af te wijken. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant heeft kunnen begrijpen dat hij teveel bijstand ontving, met name gedurende de periode vanaf 3 oktober 2005.

Slotoverwegingen

Al hetgeen appellant verder heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel over de aangevallen uitspraak en over het besluit van 22 juni 2007.

Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen ruimte voor de door appellant in hoger beroep verzochte veroordeling tot schadevergoeding, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

De Raad is niet gebleken van proceskosten die ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 juni 2007 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het betreft de herziening van de bijstand;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 22 juni 2007 in stand blijven;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) P.C. de Wit.

AR