Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4738

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
07-2265 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid bezwaar. Termijnoverschrijding verschoonbaar? Toezeggingen gedaan door Uwv? Ambtshalve beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2265 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 12 maart 2007, 06/747

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door R.T. van Baarlen, werkzaam bij

De Fiscount Adviesgroep B.V., gevestigd te Zwolle.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2007. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door

J. Aarts.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en een aantal vragen aan partijen voorgelegd. Partijen hebben op die vraagstelling gereageerd. Het Uwv heeft gereageerd op de beantwoording door appellante.

Een tweede onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 25 maart 2008. Appellante is daarbij wederom verschenen bij haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was in het genot van een uitkering in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

Bij besluit van 7 maart 2002 heeft het Uwv de uitkering over het jaar 2000 onder toepassing van artikel 58 van de WAZ gekort en uitbetaald als ware appellante 25 tot 35% arbeidsongeschikt (besluit I). Bij besluit van dezelfde datum heeft het Uwv van appellante hetgeen in verband met die verlaging ten onrechte aan WAZ-uitkering aan haar is uitbetaald teruggevorderd (besluit II).

Bij besluit van 16 maart 2005 heeft het Uwv, naar aanleiding van een eerdere korting over het jaar 2002, de in verband daarmee onverschuldigd aan haar betaalde WAZ-uitkering over dat jaar van appellante teruggevorderd (besluit III).

Bij besluit van eveneens 16 maart 2005 heeft het Uwv de WAZ-uitkering van appellante per 1 januari 2003 verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% (besluit IV).

Bij besluit van 21 april 2005 heeft het Uwv, naar aanleiding van een eerder kortingsbesluit, de in verband daarmee over het jaar 2001 aan haar ten onrechte betaalde WAZ-uitkering van appellante teruggevorderd (besluit V).

Bij besluiten van 22, 25 en 26 april 2005 heeft het Uwv, naar aanleiding van de verlaging per 1 januari 2003 van de WAZ-uitkering, hetgeen aan appellante ten onrechte over respectievelijk het jaar 2003, het jaar 2004 en het jaar 2005 tot 1 februari 2005 aan WAZ-uitkering is betaald, van haar teruggevorderd (respectievelijk besluit VI, VII en VIII).

Appellante heeft tegen de besluiten I tot en met VIII bezwaar gemaakt. Bij het thans bestreden besluit van 12 juni 2006 heeft het Uwv zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat de besluiten I en II in rechte vast staan nu appellante daartegen destijds niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. Ten aanzien van de besluiten III tot en met VIII heeft het Uwv bij het bestreden besluit de inhoudelijke bezwaren beoordeeld en ongegrond verklaard.

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante niet eerder dan op 10 juni 2005 bezwaar heeft gemaakt. Aangezien de termijn waarbinnen bezwaar kon worden gemaakt tegen het laatste besluit uit de reeks (besluit VIII) naar het oordeel van de rechtbank eindigde op 7 juni 2005, was de rechtbank van oordeel dat het Uwv appellante ten onrechte heeft ontvangen in haar bezwaren. Om die reden heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en, onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven met betrekking tot de proceskosten en het griffierecht.

De stellingen van appellante in hoger beroep komen er op neer dat appellante van mening is dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellante niet-ontvankelijk is in haar bezwaren. Tevens heeft appellante gesteld dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over haar grieven tegen de besluiten I en II.

De Raad oordeelt als volgt.

De termijn voor het indienen van bezwaar- en beroepschriften van zes weken, zoals die volgt uit artikel 6:7 van de Awb, is volgens vaste jurisprudentie van openbare orde, hetgeen met zich brengt dat de rechtbank ambtshalve beoordeelt of die termijn is overschreden. Dit brengt mee dat er op zich geen beletsel was voor de rechtbank om de ontvankelijkheid van de bezwaren van appellante ter zitting van de rechtbank op

1 februari 2007 aan de orde te stellen. Van een professioneel rechtshulpverlener als gemachtigde mag worden verwacht dat hij zich, zeker in een geval met een voorgeschiedenis als het onderhavige, had voorbereid op de desbetreffende vragen en behandeling ter zitting van de rechtbank. Zo hij desalniettemin onvoldoende voorbereid was op die vraagstelling, had hij de rechtbank kunnen verzoeken om schorsing of heropening van het onderzoek, hetgeen de gemachtigde, blijkens het proces-verbaal van die zitting, niet heeft gedaan.

Anders dan de gemachtigde van appellante veronderstelt, volgt uit het feit dat het Uwv in het bestreden besluit uitdrukkelijk de ontvankelijkheid heeft beoordeeld en vastgesteld niet dat daarmee ook die ontvankelijkheid vast staat. Daarbij wijst de Raad er nog op dat van toezeggingen zijdens het Uwv, als bedoeld in de door de gemachtigde appellante aangehaalde uitspraak van de Raad van 24 april 2007 (LJN BA4412), hier geen sprake is nu er geen gedragsbepalende uitlating of mededeling van de zijde van het Uwv is geweest die aanleiding heeft gegeven tot het indienen van de bezwaren op het door appellante aangegeven moment.

Met de rechtbank stelt de Raad vast dat 10 juni 2005 het eerste moment is waarop het Uwv de binnenkomst van het bezwaar tegen de besluiten III tot en met VIII heeft gesignaleerd. Dat bezwaar is gedateerd 27 april 2005. In hoger beroep heeft appellante thans het standpunt ingenomen dat zij dat bezwaar op 27 april 2005 persoonlijk heeft afgegeven bij de vestiging van het Uwv te ’s-Gravenhage en dat zij daarbij geen bewijs van ontvangst heeft verkregen. De Raad wijst er allereerst op dat de stellingen van appellante met betrekking tot de indiening van het bezwaar niet overeenkomen met de door de gemachtigde van appellante betrokken stellingen; de gemachtigde stelt dat appellante op 27 april 2005 toch al elders in ’s-Gravenhage was, appellante zelf verklaart dat zij naar ’s-Gravenhage ging om het bezwaar te brengen. Appellante heeft geen verklaring gegeven voor de redenen waarom zij niet gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om het bezwaar per post in te dienen. Evenmin heeft zij aangegeven bij welk kantoor van het Uwv in ’s-Gravenhage zij is geweest, noch heeft zij een verklaring gegeven voor het feit dat aan haar geen bewijs van ontvangst voor de indiening van het stuk is gegeven of waarom zij niet om een dergelijk bewijsstuk heeft verzocht. Tenslotte wijst de Raad er op dat, indien de stellingen van appellante aangaande de gang van zaken met betrekking tot de indiening van het bezwaar gevolgd zouden moeten worden, appellante op 27 april 2005, de dag volgend op de verzending van besluit VIII, een bezwaarschrift zou hebben opgesteld en nog dezelfde dag een reis van Kruiningen naar ’s-Gravenhage zou hebben ondernomen, teneinde dat bezwaar nog voor het einde van die dag persoonlijk aldaar op een niet nader aangeduide vestiging van het Uwv af te geven, zonder te vragen om, of aan te dringen op, de afgifte van een ontvangstbewijs, noch om te protesteren tegen de weigering om een dergelijk bewijs te verstrekken. Gelet op het geheel van feiten en omstandigheden acht de Raad dit een ongeloofwaardige stelling. De passage in het bestreden besluit dat appellante op 27 april 2005 op het kantoor van het Uwv te ’s-Gravenhage bezwaar heeft gemaakt, wordt, wat van die passage verder in het licht van de brieven van het Uwv van 21 november 2007 en 2 januari 2008 ook zij, niet ondersteund door enig objectief en verifieerbaar gegeven.

Uitgaande van 10 juni 2005 als het eerste moment waarop bezwaar tegen de besluiten III tot en met VIII is gemaakt, stelt de Raad vast dat het bezwaar niet tijdig is ingediend. De Raad acht geen gronden aanwezig om die termijnoverschrijding onder toepassing van 6:11 van de Awb verschoonbaar te achten. Zoals hiervoor reeds werd aangegeven is de eigen beoordeling van het Uwv aangaande de ontvankelijkheid daarbij niet doorslaggevend, terwijl uit de passage in het bestreden besluit dat appellante reeds op

27 april 2005 bezwaar heeft gemaakt, anders dan de gemachtigde van appellante blijkbaar veronderstelt, niet volgt dat ten aanzien van appellante gedragsbepalende toezeggingen zijn gedaan.

De Raad komt dan ook tot het oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv appellante ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard.

De Raad stelt echter tevens vast dat de rechtbank zich op 25 januari 2007 schriftelijk tot het Uwv heeft gericht met een tweetal vragen waarop door het Uwv op 26 januari 2007 per faxbericht is gereageerd, bij welke gelegenheid tevens een afschrift van een aantal emailberichten werd toegestuurd. De rechtbank heeft blijkens het dossier noch van het verzoek van 25 januari 2007, noch van de zijdens het Uwv ontvangen stukken, voorafgaand aan de zitting van 1 februari 2007 afschriften aan appellante of haar gemachtigde verstrekt. Wel heeft de gemachtigde van appellante ter zitting inzage in enige emailberichten gehad. Eerst ter zake van het hoger beroep heeft appellante kennis kunnen nemen van alle betreffende stukken. De rechtbank heeft de aangevallen uitspraak derhalve mede gebaseerd op feiten, omstandigheden en stellingen die appellante niet kende en waarop zij niet voldoende heeft kunnen reageren. De stelling van gemachtigde dat de aangevallen uitspraak om die reden niet in stand kan blijven, slaagt derhalve. Hieraan doet ook niet af, dat, zoals hiervoor is overwogen, de rechtbank de ontvankelijkheid van het bezwaar op zich ter zitting ambtshalve aan de orde kon stellen.

Ten aanzien van de besluiten I en II heeft het Uwv in het bestreden besluit en in de daarmee samenhangende aanbiedingsbrief aangegeven dat niet aan een inhoudelijke beoordeling van de daartegen gerichte bezwaren wordt toegekomen omdat die besluiten in rechte vast staan nu appellante daartegen geen of te laat bezwaar heeft ingediend. Hoewel het Uwv aldus niet de daartoe geëigende bewoordingen gebruikt, leidt de Raad uit de betreffende ondubbelzinnige passages af dat het Uwv appellante aldus in haar bezwaar tegen de besluiten I en II naar de strekking niet-ontvankelijk heeft verklaard. Appellante heeft in beroep gronden aangevoerd om welke reden zij naar haar mening ontvankelijk was in haar bezwaren tegen de besluiten I en II en heeft tevens inhoudelijke grieven aangevoerd tegen die besluiten. De rechtbank heeft dit onderdeel van het bestreden besluit en de daartegen gerichte grieven niet in haar beoordeling betrokken. De rechtbank heeft aldus de omvang van het geding ten onrechte beperkt tot het bestreden besluit, voorzover dit de besluiten III tot en met VIII betreft. Ook om die reden kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.

Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad thans derhalve de juistheid van het standpunt van het Uwv ten aanzien van de besluiten I en II beoordelen. Anders dan de gemachtigde van het Uwv ter zitting van 25 maart 2008 kennelijk veronderstelde is de Raad van oordeel dat het Uwv de bezwaren ten aanzien van besluit I en II terecht niet-ontvankelijk heeft geacht. Die besluiten dateren van 7 maart 2002. Mede gelet op het verhandelde ter zitting van 25 maart 2008 heeft de Raad geen reden gezien om ervan uit te gaan dat deze besluiten niet die dag zouden zijn verzonden. Van enige geloofwaardige ontkenning van de ontvangst van die besluiten is de Raad niet gebleken, zodat met een tweede toezending van die stukken op 19 april 2002 per die datum niet de bezwaartermijn een aanvang heeft genomen of een nieuwe bezwaartermijn is aangevangen. Uitgaande van 7 maart 2002 als datum van bekendmaking van de besluiten I en II heeft appellante met haar bezwaar van 14 mei 2002 die bezwaartermijn overschreden. Van enige reden die aanleiding zou moeten geven voor de conclusie dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding is de Raad niet gebleken. Het Uwv heeft appellante derhalve terecht niet-ontvankelijk geacht in haar bezwaar tegen de besluiten I en II.

Ter wille van de duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover deze betreft de proceskosten en het griffierecht, en het bestreden besluit volledig vernietigen en, gelet op het oordeel dat appellante in geen van haar bezwaren ontvankelijk is, onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zijn oordeel in de plaats stellen van het vernietigde besluit.

De Raad ziet aanleiding het Uwv op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, welke kosten worden bepaald op € 966,-- voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende,

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is beslist over de vergoeding van proceskosten en het griffierecht in beroep;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart de bezwaren tegen de besluiten I tot en met VIII niet-ontvankelijk;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaatst treedt van het bestreden besluit;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep van € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.