Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4736

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
07-1992 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bijstandsuitkering. Niet is gebleken van een relevante wijziging in de woonsituatie op een eerdere datum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1992 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 februari 2007, 06/1839 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Schoonbrood, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2008. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Haagmans, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

II. OVERWEGINGEN

Bij uitspraak van de Raad van 19 februari 2008, nr. 06/5911 WWB, is in rechte komen vast te staan dat de afwijzing van de aanvraag van appellant van 4 mei 2005 voor toekenning van algemene bijstand op goede gronden door het College is gehandhaafd, te weten schending van de inlichtingenverplichting als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. In die uitspraak heeft ook de Raad het niet aannemelijk geacht dat appellant ten tijde van belang woonachtig was op het adres [adres] te [woonplaats].

Op 30 juni 2005 heeft appellant weer bijstand aangevraagd en daarbij wederom voormeld adres als zijn woonadres opgegeven. Die aanvraag is afgewezen, mede op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

Vervolgens heeft appellant op 21 september 2005 andermaal een aanvraag om bijstand ingediend en daarbij het adres [adres] te [woonplaats] als zijn woonadres opgegeven.

Bij besluit van 30 november 2005 heeft het College die aanvraag, voor zover betrekking hebbende op de periode van 21 september 2005 tot 20 oktober 2005, afgewezen. Met ingang van 20 oktober 2005 heeft het College aan appellant bijstand toegekend.

Bij besluit van 11 juli 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 30 november 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 juli 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd en vordert bijstand met ingang van 21 september 2005.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Naar vaste rechtspraak van de Raad ligt het in een geval als het onderhavige, waarin na afwijzingen van eerdere aanvragen om bijstand een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum wordt ingediend, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij thans wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

De Raad is van oordeel dat ten tijde van de onderhavige aanvraag niet is gebleken van verandering van omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin sedert de afwijzing van de aanvragen van 4 mei 2005 en 30 juni 2005.

Tijdens onaangekondigde huisbezoeken op 11 oktober 2005 en 17 oktober 2005 is appellant niet in de door hem opgegeven (flat)woning aangetroffen. Beide keren is vanuit de hal van de flat door een slaapkamerraam waargenomen dat de woning er onbewoond uitzag door het ontbreken van vloerbedekking en wandafwerking en de aanwezigheid van een groot aantal dode vliegen die voor het raam lagen.

Op 17 oktober 2005 is ook waargenomen dat de plafondlamp in de badkamer brandde en dat achter de voordeur post op de grond lag. Er werd minimaal zes maal aangebeld en op het raam en de voordeur geklopt. Desondanks werd de voordeur niet geopend, aldus de verslagen van de betreffende observanten.

Met name gelet echter op de bevindingen als vervat in het verslag van het huisbezoek op 24 oktober 2005, waarbij appellant met zijn vader aanwezig was, is aannemelijk geworden dat de woonsituatie van appellant toen wel in relevante mate was gewijzigd. In de woning werden onder meer meubelen, gordijnen, keukenbenodigdheden en etenswaren aangetroffen, alsmede een bed en persoonlijke spullen van appellant. Appellant heeft toen verklaard dat hij zijn spullen eerst in de kelder had bewaard en dat hij deze pas sinds een dag of vijf naar boven had verhuisd. Op de vraag of dit dan op de 20e oktober was gebeurd heeft hij geantwoord dat dit kan kloppen, aldus voormeld verslag.

Uit het vorenstaande is ook naar het oordeel van de Raad genoegzaam gebleken dat van een relevante wijziging in de woonsituatie van appellant, in die zin dat appellant voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen, niet eerder sprake was dan met ingang van 20 oktober 2005.

Met de rechtbank is de Raad derhalve van oordeel dat het standpunt van het College om appellant in het kader van de onderhavige aanvraag eerst met ingang van 20 oktober 2005 bijstand te verlenen, kan worden onderschreven.

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2008.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

OA