Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4734

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
06-3006 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht beslist dat eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet bepaald worden en niet kan worden vastgesteld dat betrokkene op die dag verzekerd was ingevolge de AAW/WAO?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3006 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 april 2006, 05/544 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 18 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst. Namens betrokkene is verschenen mr. E.M. van den Brom.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene heeft laatstelijk vanaf 10 april 1995 werkzaamheden in Nederland verricht bij een restaurant als schoonmaker/afwasser. Omstreeks 5 juli 1997 is betrokkene voor vakantie naar zijn geboorteland Marokko vertrokken. Op 15 juli 1997 heeft betrokkene zich bij de Caisse National de Sécurité Sociale (CNSS) ziek gemeld. Hij heeft zich vervolgens meerdere malen in 1997 en in 1998 gemeld bij de CNSS.

Op 15 november 2002 heeft betrokkene een aanvraag gedaan voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wegens sedert 15 juli 1997 bestaande arbeidsongeschiktheid. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft betrokkene enkele medische stukken overgelegd.

Op het verzoek van het Uwv heeft in Marokko in maart 2004 een medisch onderzoek plaatsgevonden door de arts F. Lamouri. Op grond van deze rapportage heeft de verzekeringsarts R.J.A.M. van Eldijk geconcludeerd dat een eerste arbeidsongeschiktheidsdag van betrokkene niet is aan te wijzen, omdat er geen duidelijke knik in de medische geschiedenis is aan te geven op grond waarvan betrokkene zijn laatst verrichte werkzaamheden niet zou kunnen verrichten.

De aanvraag van betrokkene is door het Uwv bij besluit van 1 juli 2004, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 21 december 2004 (hierna: het bestreden besluit), afgewezen omdat niet kan worden vastgesteld dat betrokkene ten tijde van zijn actieve verzekering voor de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO arbeidsongeschikt is geworden en er geen eerste arbeidsongeschiktheidsdag kan worden bepaald.

De rechtbank heeft het beroep van betrokkene gegrond verklaard, overwegende dat het medisch onderzoek in Marokko niet zorgvuldig is geweest, nu het de gezondheidssituatie van betrokkene beschrijft in maart 2004 en niet de situatie zoals die was op de datum in geding in medio 1997. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat een zorgvuldig medisch onderzoek ook vereist dat zoveel mogelijke relevante stukken worden verzameld, waartoe ook dienen te worden gerekend de MN 116 formulieren.

Appellant heeft in hoger beroep, kort samengevat, aangevoerd dat het in Marokko verrichte onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Voorts acht appellant het niet noodzakelijk of verplicht om de door de rechtbank genoemde formulieren MN 116 op te vragen aangezien deze niet van belang zijn voor de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO, doch slechts dienen ter beoordeling van een eventueel recht op ziekengeld.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of appellant met recht heeft gesteld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van betrokkene niet kan worden bepaald en voorts dat niet kan worden vastgesteld dat betrokkene op die dag verzekerd was ingevolge de AAW/WAO.

De Raad oordeelt als volgt.

Uit het dossier leidt de Raad af dat betrokkene tijdens zijn verblijf in Marokko voor het eerst op 15 juli en vervolgens in augustus, september, oktober, november en december 1997 en in februari, maart, juni en juli 1998 een ‘demande de prestations en espèces’ heeft ingediend bij de CNSS en daarbij een ‘certificat medical’ heeft overgelegd. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 12 maart 1993 (RSV 1994/12, LJNZB1831) kan het overleggen van de hiervoor vermelde stukken bij de CNSS - die moet worden aangemerkt als een overeenkomstig orgaan in de zin van artikel 32 van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 1972/34) - niet alleen als een ziekmelding, maar tevens als een aanvraag om arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden gezien. Derhalve moet er voor de toepassing van de artikelen 25, tweede lid van de AAW en 35, tweede lid, van de WAO van worden uitgegaan dat de aanvraag om uitkering is ingediend op 15 juli 1997, op welk moment betrokkene in Nederland nog verzekerde werkzaamheden in dienstbetrekking verrichtte. Het bestreden besluit berust derhalve op een onjuist uitgangspunt en is terecht door de rechtbank vernietigd.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak - zij het met verbetering van de gronden - voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 422,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M. Pijper.

OA