Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4733

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
06-1664 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Beperkingen onderschat? In medische opzicht geschikt voor voorgehouden functies?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1664 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 februari 2006, 05/299 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.S. Pot, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2008. Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Pot voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 18 augustus 2003 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 19 augustus 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk - met ingang van 4 december 2003 - berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van de eerstejaars herbeoordeling is appellante onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft zijn bevindingen en conclusies neergelegd in een rapport d.d. 6 augustus 2004 en hij heeft de door hem vastgestelde mate van belastbaarheid van appellante neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van diezelfde datum. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft op basis van deze FML functies geselecteerd die voor appellante in medisch opzicht geschikt zijn te achten en vastgesteld dat, gelet op het maatvrouwloon enerzijds en de resterende verdiencapaciteit, gesteld op het mediane loon van de drie hoogst beloonde van de ten aanzien van appellante geselecteerde en aan haar voorgehouden functies, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante 61,63% bedraagt, derhalve vallende in de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65. Bij besluit van 19 oktober 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 13 december 2004 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.3. Appellante heeft tegen het besluit van 19 oktober 2004 bezwaar gemaakt. In het kader van de behandeling van het bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink een rapport uitgebracht, gedateerd 17 december 2004/24 december 2004. Bij besluit van 5 januari 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2.1. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van 5 januari 2005 (hierna: het bestreden besluit). Appellante heeft daarbij verklaringen overgelegd van de haar behandelend psycholoog drs. H. Andrés Guevara van 16 maart 2005, van

dr. R.C.W. Vermeulen, werkzaam bij CFS Research Center Amsterdam, van 17 februari 2005 en van R. Westerweel, medisch adviseur, van 1 juli 2005. Van de zijde van het Uwv is op deze verklaringen gereageerd door de bezwaarverzekeringsarts De Vink op 14 juli 2005.

2.2. Bij brief van 8 juli 2005 heeft het Uwv appellante te kennen gegeven dat het bestreden besluit wordt ingetrokken omdat nader onderzoek door een bezwaararbeidsdeskundige had uitgewezen dat het geen stand kon houden en bij besluit van 11 augustus 2005 (hierna: het nieuwe besluit) heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 13 december 2004 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

2.3. Namens appellante zijn bij brief van 28 augustus 2005 aanvullende gronden aangevoerd tegen het nieuwe besluit van 11 augustus 2005 en is een reactie van R. Westerweel, gedateerd 12 september 2005, op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts De Vink overgelegd. Daarop heeft de bezwaarverzekeringsarts nogmaals gereageerd, in reactie waarop van de zijde van appellante zijn overgelegd een door haar bijgehouden dagboek over de periode 29 september tot en met 28 oktober 2005 en een nadere verklaring van Westerweel van 29 december 2005.

2.4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor zover gericht tegen het nieuwe besluit ongegrond verklaard. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven ter zake van de vergoeding van proceskosten en het griffierecht.

3. Het hoger beroep is, gelet op de door appellante aangevoerde gronden, gericht tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank van het beroep voor zover dat gericht is geacht tegen het nieuwe besluit.

3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat ten aanzien van haar weliswaar medische beperkingen zijn aangenomen, maar dat, nu er geen diagnose is gesteld, niet medisch objectiveerbaar kan worden vastgesteld dat bij het nieuwe besluit van de juiste beperkingen is uitgegaan, zodat naar haar opvatting de medische grondslag van dat besluit een deugdelijke basis ontbeert. Naar haar opvatting blijkt uit de ernst van haar klachten dat haar beperkingen bij het nieuwe besluit zijn onderschat. Zij meent dat alsnog een diagnose behoort te worden gesteld en verzoekt de Raad om die reden een deskundige te benoemen.

3.2. In verweer heeft het Uwv zich gesteld achter het oordeel en de overwegingen van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, en heeft hij er nogmaals op gewezen dat voor het vaststellen van de belastbaarheid van een betrokkene niet de diagnose bepalend is te achten, maar de medisch geobjectiveerde beperkingen die deze betrokkene voor het verrichten van arbeid ondervindt.

4. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het nieuwe besluit. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en hij overweegt daartoe het volgende.

4.1. De Raad is met de rechtbank, en op de door de rechtbank daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, van oordeel dat het voor het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante noodzakelijk is dat de medisch geobjectiveerde beperkingen (kunnen) worden aangegeven en dat in dat verband het klachtenpatroon als zodanig niet van doorslaggevende betekenis is, evenmin als de gestelde diagnose. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er in de voorhanden zijnde gegevens onvoldoende steun is te vinden voor de stelling van appellante dat haar medische beperkingen bij het nieuwe besluit zijn onderschat. Hij wijst er op dat ook door de door appellante ingeschakelde medisch adviseur Westerweel is opgemerkt dat uitgaande van de voorhanden zijnde gegevens de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde beperkingen juist lijken en dat met de overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts dienaangaande kan worden ingestemd. Op grond hiervan ziet de Raad ook geen grond om het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen in te willigen. Voorts ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat de aan het nieuwe besluit ten grondslag gelegde en aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht niet geschikt zijn te achten. Hij wijst daartoe op de nadere toelichting en onderbouwing, gegeven door de bezwaararbeidsdeskundige J.M.H. Veugelaers op 7 juli 2005.

5. Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat het nieuwe besluit in rechte stand kan houden, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL