Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4732

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
06-4965 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juiste medische en arbeidskundige grondslag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4965 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 juli 2006, 06/1430 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2008. Namens appellante is

mr. Voets verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

R.A. van de Berkt.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was in het verleden werkzaam als administratief medewerkster. Zij heeft zich laatstelijk per 16 mei 2003 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens rugklachten. Met ingang van 13 juni 2003 heeft het Uwv haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling heeft de verzekeringsarts appellante in december 2004 onderzocht en haar belastbaarheid omschreven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Op basis daarvan heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), waarmee appellante een zodanig inkomen kon verdienen dat geen relevant verlies aan verdiencapaciteit resteerde. Daarop is de WAO-uitkering ingetrokken met ingang van 10 april 2005.

1.2. Nadat het bezwaar tegen de intrekking ongegrond was verklaard, heeft het Uwv besloten het besluit op bezwaar, gelet op de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4716 en volgende) niet te handhaven en heeft de rechtbank dat besluit vernietigd. Bij een nieuwe arbeidskundige beoordeling heeft de bezwaararbeidsdeskundige vastgesteld dat voldoende functies vallen aan te wijzen die appellante met inachtneming van haar in de FML omschreven belastbaarheid nog kan verrichten. Het verlies aan verdiencapaciteit op basis van die functies bedroeg opnieuw minder dan 15%.

1.3. Bij besluit van 26 januari 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de intrekking van de WAO-uitkering per 10 april 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per

10 april 2005. Aan het bestreden besluit ligt een zorgvuldig en volledig verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag. Bij de beoordeling zijn inlichtingen van de behandelend orthopedisch chirurg van appellante betrokken, waaruit blijkt dat zij in augustus 2003 is geopereerd aan een hernia in de rug. Op 14 december 2004 heeft de verzekeringsarts appellante onderzocht en van haar de uitslag van een MRI-onderzoek aan de rug en van een neurologisch onderzoek vernomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft kennisgenomen van door hem opgevraagde inlichtingen van de behandelend orthopedisch chirurg dr. M. Dekker, waaruit blijkt dat appellante in april 2004 een operatie heeft ondergaan in verband met een recidief hernia, dat zij in september 2004 door hem is doorverwezen naar een revalidatiearts en dat in juni 2005 de uitslag van een CT-scan werd afgewacht. De bezwaarverzekeringsarts achtte de door de verzekeringsarts gestelde mogelijkheden en beperkingen zeer reëel en in overeenstemming met haar aandoening, ook indien op de datum in geding radiculaire prikkeling aanwezig zou zijn. Appellante heeft daarna geen medische gegevens meer in het geding gebracht. De Raad acht zich voldoende voorgelicht over de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding en ziet geen reden gevolg te geven aan het verzoek van appellante om een onafhankelijk medisch deskundige te raadplegen. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.

3.2. Van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies resteren er blijkens het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 28 juni 2006 nog vier. Aan de schatting liggen ten grondslag de functies portier, toezichthouder (divers) (sbc-code 342021), verkoper groothandel (sbc-code 317012) en administratief medewerker afhandelingen (515080). Op de resultaten functiebeoordeling van deze functies zijn op enkele belastingpunten mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid gesignaleerd. De Raad is van oordeel dat in de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundigen van 28 juni 2006 en van 20 maart 2008, in samenhang bezien, voldoende is gemotiveerd en inzichtelijk gemaakt dat de belasting in deze functies in overeenstemming is met de belastbaarheid van appellante. Appellante betwist dat voldaan is aan het vereiste dat de verzekeringsarts in de FML heeft opgenomen bij het onderdeel 5.9 afwisseling van houdingen. Dit vereiste luidt: “Na langer staan/zitten afwisselen met bewegen/lopen/uitrekken enz.” Volgens de FML kan appellante ongeveer een uur achtereen zitten, zo nodig gedurende het grootste deel van de werkdag (ongeveer 6-8 uur) en ongeveer een half uur achtereen staan, zo nodig gedurende de helft van de werkdag (ongeveer 4 uur). Op de belastingpunten zitten en staan verschijnt bij geen van de functies een signalering die wijst op een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid. Het punt 5.9 is in alle functies gemarkeerd met een M. Naar het oordeel van de Raad is in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 20 maart 2008 overtuigend gemotiveerd dat de belasting van de genoemde functies voldoet aan het door de verzekeringsarts geformuleerde vereiste, zoals hierboven weergegeven. Het is de Raad niet gebleken dat de verzekeringsarts heeft beoogd de voorwaarde te stellen dat de bedoelde afwisseling zou moeten plaatsvinden binnen de maximaal toegestane duur van zitten dan wel staan. Het zitten achter de kassa in de functie van gastvrouw in een gemeentelijk museum (sbc-code 342021) is volgens de beschrijving nooit langer dan 30 minuten achtereen, terwijl het volgens de arbeidsdeskundig analist mogelijk is achter de balie naar eigen inzicht wat stappen te lopen, zich uit te rekken of te staan. De verkoper groothandel (sbc-code 317012) zit niet langer dan 30 respectievelijk 45 minuten achtereen en heeft voldoende mogelijkheid tot de nodige afwisseling van houding. De functie administratief medewerker afhandelingen (sbc-code 515080) is weliswaar een hoofdzakelijk zittend verrichte functie, waarin tijdens 4 werkuren ongeveer 60 minuten per uur achtereen en tijdens 4 werkuren ongeveer twee maal 30 minuten per uur achtereen wordt gezeten, maar ook hier heeft de arbeidsdeskundig analist toegelicht dat het mogelijk is tussentijds even te vertreden, zich uit te rekken en even op te staan en te bewegen. Deze toelichting acht de Raad plausibel. De Raad tekent daarbij overigens aan dat de stelling van de arbeidsdeskundig analist dat wat meer pauzeren ten behoeve van vertreden geen probleem met de werkgever behoeft op te leveren zolang deze extra tijd later weer wordt ingehaald door langer door te werken, een onacceptabele relativering van de functiebelasting inhoudt.

3.3. In een brief van 24 april 2008 is namens appellante nog de stelling opgeworpen dat in twee deelfuncties van sbc-code 317012 het VMBO-diploma theoretische leerweg dan wel ervaring in soortgelijk werk is vereist en dat appellante niet aan deze eis voldoet, nu zij een MAVO-3-diploma heeft en geen ervaring in soortgelijk werk. De gemachtigde van het Uwv heeft deze stelling ter zitting van de Raad betwist. De Raad acht de stelling van appellante niet voldoende onderbouwd en zal daaraan, mede gezien het late tijdstip waarop deze is ingebracht, verder voorbijgaan.

4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en

J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

TM