Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4731

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
06-1008 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juiste medische en arbeidskundige grondslag? Eerst in hoger beroep toereikende arbeidskundige onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1008 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 januari 2006, 05/3117 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2008. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.A. van de Berkt.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante ontving een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 22 maart 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 22 mei 2005 ingetrokken onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Bij besluit van 9 augustus 2005, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 maart 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep gericht tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank, gelet op de beschikbare medische gegevens, geen redenen heeft om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per 22 mei 2005. Verder is de rechtbank van oordeel dat appellante de aan de schatting ten grondslag gelegde functies moet kunnen vervullen.

3.1. In hoger beroep heeft appellante haar tijdens de procedure in eerste aanleg aangevoerde grieven herhaald. Voorts heeft appellante een brief van neuroloog M.G. Smits van 23 januari 2006 overgelegd. Daarnaast heeft appellante een proces verbaal opgemaakt op 2 februari 2006, een verklaring van T.J. Hoekstra van 6 februari 2006 en een recept van 19 januari 2006 uitgeschreven door neuroloog Smits overgelegd.

3.2. Het Uwv heeft in hoger beroep een rapportage van een voor het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts van 14 februari 2006 en een arbeidskundige rapportage opgemaakt door een voor het Uwv werkzame bezwaararbeidsdeskundige van 7 april 2008 overgelegd.

4. In dit geding moet de vraag worden beantwoord of het oordeel van de rechtbank in rechte stand kan houden.

5.1. De Raad is van oordeel dat niet is kunnen blijken van aanknopingspunten in objectief-medische zin, om appellante te kunnen volgen in haar opvatting dat haar beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare medische gegevens bieden voor die opvatting van appellante geen steun.

5.2. De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en naar de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het medische aspect van het bestreden besluit onderschrijft de Raad.

5.3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende. Uit de door appellante in hoger beroep overgelegde brief van neuroloog Smits van 23 januari 2006 en het recept van 19 januari 2006 valt naar het oordeel van de Raad, evenals naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv blijkens diens rapportage van 14 februari 2006, geen verdergaande beperkingen af te leiden op de in geding zijnde datum dan die welke zijn aangegeven in de kritische Functionele Mogelijkheden Lijst van 13 januari 2005. De Raad ziet hierin evenmin aanknopingspunten voor het doen instellen van een nader medisch onderzoek. Wat betreft het overgelegde procesverbaal en de verklaring van Hoekstra stelt de Raad vast dat deze stukken geen betrekking hebben op de onderhavige procedure.

5.4. De Raad is van oordeel dat, mede gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, terecht door het Uwv is aangenomen dat de drie functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, te weten produktiemedewerker industrie, inpakker en controleur, tester elektronische apparatuur in medisch opzicht kunnen worden geacht binnen het bereik van appellante te liggen. In de arbeidskundige rapportage van 7 april 2008 is naar het oordeel van de Raad de geschiktheid van de functies ten aanzien van alle relevante aspecten voldoende gemotiveerd. De Raad stelt evenwel vast dat eerst in de hoger beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven. Gelet op ’s Raads oordeel met betrekking tot de toepassing van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem, verwezen zij naar zijn uitspraken van

9 november 2004 waaronder LJN: AR4716, moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 9,58 zijnde reiskosten in beroep en € 4,50 zijnde kosten opvragen medische informatie, derhalve in totaal € 14,08. Van overige ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende kosten in beroep en hoger beroep is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 14,08, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL