Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4730

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
06-2120 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voorgehouden functies in medisch opzicht geschikt te achten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2120 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 februari 2006, 05/4174 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2008. Appellante en haar gemachtigde - haar gemachtigde met bericht vooraf - zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is op 10 januari 1994 uitgevallen voor haar werk als leerling ziekenverzorgster wegens psychische klachten. Bij besluit van 7 maart 1995 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv aan appellante met ingang van 9 januari 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.1. In 2005 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante herbeoordeeld. Ten behoeve daarvan heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellante op 17 februari 2005 onderzocht. Deze arts heeft als diagnose gesteld een aanpassingsstoornis met depressieve stemming en hij heeft de belastbaarheid van appellante neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van

18 februari 2005. Ook heeft hij informatie gevraagd en verkregen over de gezondheidstoestand van appellante van haar huisarts. Deze informatie was voor de verzekeringsarts geen aanleiding de vastgestelde belastbaarheid aan te passen. Op grond van de voor appellante opgestelde FML heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is te achten voor haar vroegere werk als leerling ziekenverzorgster, maar dat zij wel geschikt is voor het verrichten van door hem ten aanzien van appellante geselecteerde functies, die hij ook aan haar heeft voorgehouden. Gelet op het mediane loon van de drie hoogst beloonde functies van deze voor appellante geselecteerde functies, afgezet tegen het ten aanzien van haar vastgestelde maatvrouwinkomen, resteert er geen verlies aan verdienvermogen, zo heeft deze arbeidsdeskundige berekend. Op basis van de bevindingen van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 24 maart 2005 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 25 mei 2005 beëindigd op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

1.2. Appellante heeft tegen het besluit van 24 maart 2005 bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe heeft in het kader van de bezwaarprocedure de hoorzitting bijgewoond en een rapportage, gedateerd 22 juli 2005, opgesteld. Ook de bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt heeft een rapportage, gedateerd 29 juli 2005, opgesteld. Het Uwv heeft bij besluit van 2 augustus 2005 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 maart 2005 ongegrond verklaard.

2.1. Appellante heeft tegen het besluit van 2 augustus 2005 (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld, waarbij zij heeft aangevoerd het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten omdat in onvoldoende mate aandacht is besteed aan haar psychische klachten. Ook is ten onrechte geen informatie verkregen van de behandelend sector. Nu het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en er geen nader onderzoek is gedaan door een onafhankelijk psychiater of psycholoog, kan appellante zich niet vinden in de ten aanzien van haar vastgestelde medische beperkingen. Zij acht zich niet in staat om de aan haar voorgehouden functies te vervullen.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat naar haar opvatting het medisch onderzoek wel zorgvuldig is geweest en dat hetgeen appellante heeft aangevoerd haar geen reden geeft de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. Voorts acht zij de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit genoegzaam onderbouwd en toegelicht door de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige. Het Uwv, zo heeft de rechtbank geconcludeerd, heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante terecht en op goede gronden bepaald op minder dan 15%.

3.1. Appellante heeft hoger beroep ingesteld en zij heeft daarbij de in beroep aangevoerde gronden herhaald.

3.2. Het Uwv heeft in verweer aangevoerd dat appellante geen medische stukken in het geding heeft gebracht waaruit zou blijken dat haar gezondheidstoestand en haar medische beperkingen voor het verrichten van arbeid anders is dan bij het bestreden besluit door het Uwv is aangenomen. Hij heeft voorts gesteld dat de verzekeringsarts wel informatie heeft gevraagd en verkregen uit de behandelend sector en wel van appellantes huisarts. Tot slot heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat de aan appellante voorgehouden functies in medisch opzicht voor haar geschikt zijn te achten en dat dit in voldoende mate is onderbouwd en toegelicht.

4. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe het volgende.

4.1. Gelet op de voorhanden zijnde gegevens kan de Raad zich stellen achter het door de rechtbank in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel en achter de door de rechtbank daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Van de zijde van appellante is niets aangevoerd dat hem tot een andersluidend oordeel kan brengen. Ook ziet de Raad geen grond om een onderzoek te gelasten door een door hem te benoemen deskundige, nu appellante daarvoor onvoldoende twijfel heeft doen rijzen met betrekking tot de juistheid en volledigheid van de ten aanzien van haar bij het bestreden besluit aangenomen belastbaarheid voor arbeid. Ook is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft de onderbouwing en toelichting van de vraag of de aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht geschikt zijn te achten, aan de daaraan blijkens zijn jurisprudentie te stellen eisen voldoet.

4.2. Op grond van het in punt 4.1 overwogene is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellante geen doel treft en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL