Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4661

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
07-1568 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstadsuitkering. Overschrijding vermogensgrens na boedelscheiding. Schulden in aanmerking nemen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1568 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 25 januari 2007, 06/3382 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College).

Datum uitspraak: 10 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.L. Sarin, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2008. Voor appellante is verschenen mr. Sarin. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante is gescheiden. Bij besluit van 22 augustus 2005 is aan haar met ingang van 7 maart 2005 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder, op welke uitkering de door haar ten behoeve van haar kinderen ontvangen alimentatie in mindering wordt gebracht. Het vermogen van appellante is bij dit besluit berekend op € 3.607,34 negatief. Het College heeft hierbij aangegeven dat het hier gaat om een voorlopige vaststelling, omdat appellante overeenkomstig haar opgave binnenkort kan beschikken over een bedrag groot € 17.500,-- uit de ontbonden huwelijksgemeenschap. Voorts is appellante meegedeeld dat te zijner tijd met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Wet werk en bijstand (WWB) de te veel verstrekte bijstand van haar zal worden teruggevorderd.

Op 21 juni 2005 is in verband met de boedelscheiding op de bankrekening van appellante een bedrag van € 17.489,29 bijgeschreven.

Bij besluit van 7 oktober 2005 heeft het College vastgesteld dat appellante over de periode van 7 maart 2005 tot en met

22 juni 2005 geen recht heeft op bijstand. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 7 oktober 2005 heeft het College de over de periode van 7 maart 2005 tot en met 22 juni 2005 gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van

€ 3.682,33 onder verwijzing naar artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB.

Bij besluit van 9 maart 2006 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 7 oktober 2005 ongegrond verklaard met dien verstande dat de periode waarover de bijstand wordt ingetrokken is bepaald op 7 maart 2005 tot en met 14 september 2005 en dat het bedrag dat aan bijstand wordt teruggevorderd nader is vastgesteld op € 2.471,95. Het College heeft daartoe overwogen dat het vermogen bij aanvang van de bijstand op 7 maart 2005 moet worden vastgesteld op € 4.807,34 negatief. Uitgaande van een vrij te laten vermogen van € 10.210,-- en de ontvangst van € 17.489,29 is sprake van een vermogensoverschrijding van € 2.471,95. Rekening houdend met het feit dat appellante vanaf 7 maart 2005 in verband met de door haar maandelijks ontvangen alimentatie van € 630,-- slechts aanvullende bijstand ontving, wordt de bijstand ingetrokken over de periode van 7 maart 2005 tot en met 14 september 2005.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 maart 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat geen aanleiding bestaat rekening te houden met de door appellante genoemde schulden, te weten een op 27 juli 2005 door de Belastingdienst opgelegde voorlopige aanslag van € 1.867,-- en de door appellante op 7 september 2005 aan Nuon ter zake van energieleveringen gedane betalingen tot een bedrag van € 238,06.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB kan het college de kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken.

Aan dit artikel ligt dezelfde gedachte ten grondslag als aan artikel 82, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw) te weten dat de kosten van bijstand, die niet zouden zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter van de Abw dat ook aan de WWB ten grondslag ligt.

Of het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB bevoegd is tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand hangt af van de vraag of de ontvangen middelen betrekking hebben op een periode waarover eerder bijstand is verleend en of de ontvangen middelen teruggerekend naar het tijdstip waarop de aanspraken op die middelen ontstonden tezamen met de toen aanwezige (overige) vermogensbestanddelen en met inachtneming van de toen geldende vermogensgrens het vrij te laten vermogen overschrijden.

De ingangsdatum van de bijstandsverlening aan appellante is 7 maart 2005. Onbetwist is dat appellante toen reeds aanspraak had op haar deel uit de onverdeelde huwelijksgemeenschap. Vaststaat verder dat appellante in verband hiermee op 21 juni 2005 feitelijk de beschikking heeft gekregen over een bedrag van € 17.498,29. Vanaf dat moment is derhalve sprake van in aanmerking te nemen middelen alsmede over een periode als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB.

Bij de vaststelling van het vrij te laten vermogen dient te worden uitgegaan van de datum met ingang waarvan bijstand werd verstrekt. Daarin ligt tevens besloten dat nadien gemaakte kosten of ontstane schulden niet van invloed zijn op de hoogte van het voor de toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB in aanmerking te nemen bedrag.

De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat er geen grond is om op het door appellante op 21 juni 2005 ontvangen vermogen na 7 maart 2005 ontstane schulden of gemaakte kosten in mindering te brengen. De schuld aan de Belastingdienst dateert van 27 juli 2005. Voorts is niet aangetoond dat het op 7 september 2005 aan Nuon betaalde bedrag verband houdt met een reeds op 7 maart 2005 bestaande schuld.

Uitgaande van de door het College gehanteerde rekensystematiek, waarbij (in bezwaar) is uitgegaan van een negatief vermogen op 7 maart 2005 van € 4.807,34, is sprake van een overschrijding van het in aanmerking te nemen vermogen met een bedrag van € 2.471,95.

Met het vorenstaande is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f ten eerste, van de WWB.

Het besluit van 9 maart 2006 kan niettemin niet geheel in stand blijven.

Het College heeft met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB besloten tot intrekking van de bijstand over de periode van 7 maart 2005 tot en met 14 september 2005. De terugvordering van de over deze - gehele - periode gemaakte kosten van bijstand heeft het College gebaseerd op artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 16 augustus 2005, LJN AU1445) biedt artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw een zelfstandige grond voor terugvordering. Daarbij past geen voorafgaande herziening of intrekking van het recht op bijstand. De Raad ziet geen aanleiding in het kader van de toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB een ander standpunt in te nemen. Dit betekent dat de bijstand over de periode van 7 maart 2005 tot en met 20 juni 2005 ten onrechte is ingetrokken.

Gelet op het voorgaande was het College wel bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB de bijstand van appellante over de periode van 21 juni 2005 tot en met 14 september 2005 in te trekken. Het College heeft hierbij gehandeld in overeenstemming met zijn niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de beleidsregel had moeten afwijken.

Appellante heeft op 21 juni 2005 de beschikking gekregen over vermogen verband houdende met de boedelscheiding. Terugvordering van bijstand over de periode van 21 juni 2005 tot en met 14 september 2005 is dan ook ten onrechte gebaseerd op artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB.

Voor de periode van 7 maart tot en met 20 juni 2005 was het College, gelet op het vorenstaande, wel bevoegd op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB tot terugvordering over te gaan. Het College heeft hierbij gehandeld in overeenstemming met zijn niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van de beleidsregel had moeten afwijken.

De rechtbank heeft een en ander niet onderkend. Dat leidt er toe dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het beroep gegrond moet worden verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 9 maart 2006 vernietigen ter zake van de intrekking van de bijstand over de periode van 7 maart 2005 tot en met 20 juni 2005 alsmede ter zake van de terugvordering over de periode van 21 juni 2005 tot en met 14 september 2005. De Raad ziet vervolgens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het met betrekking tot de terugvordering vernietigde besluit in stand te laten. Immers, voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 58, eerste lid, aanhef onder a, van de WWB. Van terugvordering kan ingevolge van toepassing zijnde beleidsregels worden afgezien in geval van dringende redenen. Hiervan is de Raad niet gebleken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad voorts geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van deze beleidsregel moet worden afgeweken.

De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op

€ 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 9 maart 2006 voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 7 maart 2005 tot en met 20 juni 2005 alsmede op de terugvordering van de kosten van bijstand gemaakt over de periode van 21 juni 2005 tot en met 14 september 2005;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover betrekking hebbende op de terugvordering geheel in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Haarlem;

Bepaalt dat de gemeente Haarlem aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.M.A. van der Kolk en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

OA