Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4612

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
07-1156 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. "Zwarte" werkzaamheden. Geen deugdelijke administratie. Schatting inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1156 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 11 januari 2007, 06/1021 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 10 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. D.R. Kamps, advocaat te Assen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. O. Ketel, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Kamps.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan betrokkene is met ingang van 16 september 1999 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder, aanvankelijk ingevolge de Algemene bijstandswet en laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van ontvangen informatie dat betrokkene meer werkzaamheden verricht dan zij op de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren opgeeft, heeft de Sociale Recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn observaties verricht, is betrokkene verhoord en hebben enkele getuigen verklaringen afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 november 2005.

De onderzoeksresultaten zijn voor appellant aanleiding geweest om bij besluit van 28 februari 2006 de bijstand over de periode van 16 september 1999 tot en met 30 september 2005 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 51.363,34 bruto van betrokkene terug te vorderen. De besluitvorming berust op de vaststelling dat betrokkene, zonder daarvan aan appellant melding te maken, werkzaamheden heeft verricht als huishoudster en bloemenbezorgster. Omdat betrokkene de bedoelde werkzaamheden “zwart” heeft verricht en ter zake geen deugdelijke boekhouding heeft kunnen overleggen, kan het recht op bijstand van betrokkene gedurende de bedoelde periode niet worden vastgesteld.

Bij besluit van 14 juli 2006 is het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 28 februari 2006 ongegrond verklaard, met dien verstande dat de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 43.905,61 netto van betrokkene worden teruggevorderd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 juli 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat - thans - appellant opnieuw op de bezwaren van betrokkene tegen het besluit van 28 februari 2006 dient te beslissen met inachtneming van het in de uitspraak overwogene. Naar het oordeel van de rechtbank geven de door de Sociale Recherche opgestelde rapportage alsmede de door betrokkene in bezwaar overgelegde verklaringen voldoende inzicht in de door betrokkene in de periode van 16 september 1999 tot en met 30 september 2005 verrichte werkzaamheden en genoten inkomsten. Daarom heeft appellant niet in redelijkheid tot een algehele intrekking van het recht op bijstand van betrokkene kunnen overgaan maar had op basis van een raming van de inkomsten, die betrokkene in de aan de orde zijnde periode heeft ontvangen, tot herziening van de bijstand over de bedoelde periode moeten overgaan.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aangevoerd is dat betrokkene niets heeft overgelegd wat op een deugdelijke boekhouding duidt. De door de rechtbank bedoelde verklaringen zijn volgens appellant te algemeen van aard en geven hoogstens een indruk van de omvang waarin betrokkene zou kunnen hebben gewerkt maar zijn niet toereikend om een aanvullend recht op bijstand te kunnen ramen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Niet in geschil is dat betrokkene in de periode hier in geding voor een bloemenboetiek bloemen heeft bezorgd alsmede op diverse adressen als huishoudelijke hulp heeft gewerkt en voor die werkzaamheden (zwart) is betaald. Vaststaat verder dat betrokkene van deze werkzaamheden en verdiensten geen mededeling heeft gedaan aan appellant.

Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en te bewijzen dat, indien de inlichtingenverplichting wel naar behoren zou zijn nagekomen, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat op basis van het rapport van de Sociale Recherche en de door betrokkene overgelegde verklaringen geen voor de toepassing van de WWB toereikende raming van de werkzaamheden en verdiensten van betrokkene in de in geding zijnde periode is te maken. Derhalve is het recht van betrokkene op aanvullende bijstand in die periode niet vast te stellen.

Vaststaat dat betrokkene vanaf de aanvraag van de bijstandsverlening, met haar eigen auto op zes dagen per week bloemen heeft bezorgd voor een bloemenboetiek. Betrokkene zou volgens haar verklaring met die werkzaamheden niet echt iets hebben verdiend; zij schatte haar verdiensten op ongeveer € 25,-- per week.

De Raad acht de verklaring van betrokkene niet geloofwaardig. Het is niet aannemelijk dat betrokkene zes dagen per week werkzaamheden verricht, terwijl daar geen noemenswaardige vergoeding tegenover staat. Voorts is het bezorgen van bloemen een normale bedrijfsactiviteit van een bloemenwinkel. Er moet derhalve van worden uitgegaan dat betrokkene voor haar werkzaamheden een reële beloning had kunnen bedingen. Voor de beoordeling of aanvullend recht op bijstand bestaat, dient in de gegeven situatie te worden uitgegaan van een fictief inkomen, gerelateerd bijvoorbeeld aan een collectieve arbeidsovereenkomst of de Wet op het minimumloon. Aangezien betrokkene noch haar werkgeefster objectieve, verifieerbare gegevens hebben overgelegd omtrent de omvang van de door betrokkene verrichte werkzaamheden, kan er geen verantwoorde schatting worden gemaakt van de (fictieve) inkomsten van betrokkene uit haar werkzaamheden bij de bloemenboetiek.

De Raad stelt verder vast dat de verklaringen van betrokkene en de personen bij wie zij huishoudelijk werk heeft verricht, niet geheel eensluidend zijn omtrent de periodes waarin betrokkene werkzaam is geweest en is voorts van oordeel dat die verklaringen niet voldoende concreet zijn om op basis daarvan een acceptabele raming van haar verdiensten te maken.

De Raad komt, gezien het vorenoverwogene, tot de slotsom dat appellant terecht heeft geconcludeerd dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door betrokkene niet is vast te stellen of, en zo ja in hoeverre, zij in de in geding zijnde periode recht had op aanvullende bijstand.

Appellant was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de aan betrokkene over de periode van 16 september 1999 tot en met 30 september 2005 verleende bijstand in te trekken. Appellant voert het beleid dat, indien de bijstand ten onrechte is verleend, in beginsel steeds intrekking plaats vindt. Naar het oordeel van de Raad gaat een dergelijk beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten, voor zover, zoals in het onderhavige geval, ten onrechte bijstand is verleend als gevolg van schending van de informatieverplichting. De Raad stelt vast dat appellant in overeenstemming met zijn beleid is overgegaan tot intrekking van de bijstand over de hier van belang zijnde periode. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het beleid had moeten afwijken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om tot terugvordering van de over de periode in geding gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Appellant voert het beleid dat in beginsel steeds van de bevoegdheid tot terugvordering wordt gebruik gemaakt. Van terugvordering wordt afgezien indien - voor zover van belang - de terugvordering zou leiden tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties bij de belanghebbende of diens gezin of indien de terug te vorderen kosten van bijstand minder dan € 50,-- bedragen en de vordering op voorhand oninbaar is. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen gaat een dergelijk beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten, voor zover het, zoals in het onderhavige geval, gaat om terugvordering van de als gevolg van een op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB genomen intrekkingsbesluit ten onrechte gemaakte kosten van bijstand. De Raad stelt vast dat appellant in overeenstemming met zijn beleid is overgegaan tot terugvordering van de kosten van bijstand over de hier van belang zijnde periode. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd, ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van het beleid had moeten afwijken.

De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep tegen het besluit van 14 juli 2006 dient ongegrond te worden verklaard.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2008.

(get.) Th. C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

AR