Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD4551

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
06-5768 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum Wajong-uitkering. Onbekendheid regelgeving. Geen bijzondere omstandigheden om met verdere terugwerkende kracht dan een jaar voor datum aanvraag toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5768 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 augustus 2006, 06/97 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.J.B.M. Alkemade, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 januari 2007 heeft het Uwv een rapportage van de bezwaar-verzekeringsarts S. Gommers van 21 december 2006 in het geding gebracht.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Alkemade, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diekema.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij een op 1 juli 2005 bij het Uwv ingekomen formulier heeft appellante, geboren op 12 juni 1973, een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd. Als eerste dag van arbeidsongeschiktheid heeft zij opgegeven 1986.

1.2. Bij besluit van 17 augustus 2005, gehandhaafd bij besluit van 30 november 2005, heeft het Uwv appellante per 1 juli 2004 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Aan dit besluit ligt mede ten grondslag de overweging dat appellante ter zake van haar op haar 18e verjaardag al bestaande arbeidsongeschiktheid niet eerder dan ingaande een jaar voor de aanvraagdatum, dus niet eerder dan 1 juli 2004, een uitkering ingevolge de WAJONG toekomt. Een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de WAJONG, op grond waarvan de uitkering nog eerder zou kunnen ingaan, heeft het Uwv niet aanwezig geacht.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 30 november 2005, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft voorop gesteld dat onbekendheid met de wetgeving geen bijzonder geval oplevert in de zin van artikel 29, tweede lid, van de WAJONG. Naar het oordeel van de rechtbank kan dat anders zijn als die onbekendheid voortvloeit uit beperkingen als gevolg van ziekte. De rechtbank heeft uit de stukken evenwel afgeleid dat appellante al vanaf haar 13e jaar last heeft van klachten op grond waarvan zij arbeidsongeschikt is geworden en vastgesteld dat appellante vanaf 1994 verschillende malen in verband met haar klachten opgenomen is geweest en onder specialistische behandeling is geweest. Hieruit heeft de rechtbank geconcludeerd dat vanaf die periode duidelijk was, of in ieder geval kon zijn geweest, dat de aandoening dusdanig ernstig was dat appellante in aanmerking had kunnen komen voor een uitkering op grond van de WAJONG.

De rechtbank heeft uit de stukken voorts afgeleid dat appellantes aandoening haar niet heeft belemmerd in een eerder stadium een WAJONG-uitkering aan te vragen. Zij tekende daarbij aan dat appellante in 1993 wel in staat is gebleken een aanvraag te doen voor de verstrekking en/of vergoeding van hygiënische artikelen die zij in verband met haar klachten nodig meende te hebben. Al met al was er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een bijzonder geval. Een verzoek om aanhouding van de behandeling ter zitting heeft de rechtbank afgewezen, kort gezegd, omdat zij zich voldoende voorgelicht achtte.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat zich geen bijzonder geval voordoet. Appellante heeft herhaald dat zij zich lange tijd niet bewust is geweest van haar arbeidsongeschiktheid. Volgens haar is de rechtbank er ten onrechte aan voorbij gegaan dat haar late bewustwording op dit punt samenhangt met de aard van de bij haar vastgestelde ziekte. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante gewezen op een (gezamenlijk) schrijven van haar psychotherapeut, onderscheidenlijk haar psychiater van 25 september 2006. Appellante betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek om de behandeling van haar zaak ter zitting uit te stellen tot een later tijdstip dan wel de zaak aan te houden, heeft afgewezen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Het geschil tussen partijen is beperkt tot het antwoord op de vraag of zich in het geval van appellante een bijzondere omstandigheid voordoet die het Uwv er toe had moeten brengen appellante met ingang van een eerdere datum dan één jaar voor de datum van haar aanvraag een uitkering te verstrekken.

4.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is sprake van een bijzonder geval indien de betrokkene ter zake van de (te) late aanvraag redelijkerwijs geacht moet worden niet in verzuim te zijn geweest. Zo een situatie kan aan de orde zijn indien eerst op een later tijdstip duidelijk zicht is ontstaan op de ernst van de aandoening en de gevolgen daarvan voor de arbeidsgeschiktheid.

4.4. De Raad ziet het hoger beroep van appellante niet slagen. De Raad kan zich niet verenigen met de in hoger beroep door appellante staande gehouden opvatting dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan het Uwv de bevoegdheid zou toekomen haar uitkering met een verdere terugwerkende kracht dan een jaar voor indiening van de aanvraag ervan te doen ingaan. De beschikbare gegevens bieden voor een zodanige conclusie geen toereikende grond.

4.5. De Raad overweegt hierbij in de eerste plaats dat, gelet op het geheel van de voorliggende feiten en omstandigheden, het ervoor dient te worden gehouden dat appellante, nadat zij vanaf 1986 voor het eerst werd geconfronteerd met klachten van psychische aard, al in een vroegtijdig stadium moet hebben begrepen, althans moet hebben kunnen begrijpen, dat zij met wezenlijke psychische problemen te kampen had, van een zodanige ernst dat ze van invloed waren op haar functioneren in het algemeen en op haar vermogen om inkomensvormende arbeid te verrichten in het bijzonder. De Raad kan zich op dit punt in grote lijnen verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Het door appellante overgelegde schrijven van 25 september 2006 brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Dit schrijven biedt, naar de bezwaarverzekeringsarts S. Gommers in diens rapport van 21 december 2006 terecht beklemtoont, evenmin genoegzame aanknopingspunten om appellante te kunnen volgen in haar opvatting dat zij eerst achteraf ten volle inzicht in haar met name psychische gezondheidstoestand heeft verkregen en als gevolg dáárvan zo laat tot het indienen van een aanvraag is gekomen. Aan het schrijven van 25 september 2006 ontleent de Raad voorts dat participatie in de door appellante gevolgde (en met succes afgeronde) studie psychologie appellante een zekere structuur en houvast bood. Dit had een zeker therapeutisch effect waardoor de klachten van appellante nog enigszins onder controle bleven, aldus evengenoemd schrijven. Deze omstandigheid onderstreept naar het oordeel van de Raad temeer dat het appellante niet heeft ontbroken aan ziektebesef.

4.6. De Raad is voorts van oordeel dat appellante ook geacht moet worden feitelijk in staat te zijn geweest tot het doen van een eerdere aanvraag. Er zijn geen medische gegevens voorhanden op grond waarvan aangenomen zou dienen te worden dat appellante als gevolg van haar aandoening bij voortduring buiten staat is geweest tot adequate behartiging van de eigen belangen, waaronder in dit verband met name moet worden begrepen het aanvragen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering bij het Uwv, althans zijn rechtsvoorganger. De Raad betrekt hierbij tevens dat appellante ondanks haar (psychische) problemen kans heeft gezien tot op WO-niveau onderwijs te volgen. Dit is op zichzelf een prestatie die bewondering afdwingt, maar geeft tevens aan dat de gezondheidstoestand waarin appellante tussen haar 18e verjaardag op 12 juni 1991 en haar WAJONG-aanvraag op 1 juli 2005 heeft verkeerd één of meer (tamelijk lang geduurd hebbende) perioden heeft gekend waarin zij tot het indienen van een aanvraag zeer wel in staat was.

4.7. Onder al deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat appellante redelijkerwijs niet in verzuim is geweest ten aanzien van het eerder (kunnen) doen van een aanvraag tot toekenning van een uitkering op grond van de WAJONG of van de aan deze wet voorafgaande Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Onbekendheid met het bestaan van deze regelgeving vormt krachtens vaste jurisprudentie van deze Raad geen rechtens te honoreren verontschuldiging voor het doen van een late aanvraag.

4.8. Appellantes - onder 3 weergegeven - grief met betrekking tot de beslissing van de rechtbank om haar (uitstel)verzoek af te wijzen treft evenmin doel. De Raad, benadrukkend dat de rechtbank dienaangaande beoordelingsruimte niet kan worden ontzegd, is van oordeel dat de rechtbank evenbedoeld verzoek met recht heeft kunnen afwijzen.

4.9. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2008.

(get.) T. Hoogenboom

(get.) I.R.A. van Raaij.

RB